F***book

Ruim een week geleden werd op een rotonde de tiener van vriendin M. op zijn fiets aangereden door een oudere vrouw in een grijze Renault Captur. Zij moest hem voorrang verlenen, kegelde hem in plaats daarvan met fiets en al omver, gaf een extra dot gas en loste op in lelijkheid. De zoon kwam met de schrik vrij, zijn fiets was total loss. De vrouw meldde zich niet. Dus plaatste M., die als alleenstaande moeder zonder wegpiraten al moeite genoeg heeft de eindjes aan elkaar te knopen, een oproep op Facebook. Ze beschreef met de hulp van een getuige de betrokken Renault, die langs de hele linker zijde flinke schade opgelopen had. En of we met z’n allen wilden opletten en zo mogelijk het kenteken noteren. Maar het liefst wou ze natuurlijk dat de brokkenpiloot zich zelf meldde. Die deed dat niet. M. plaatste nogmaals een oproep en schreef iets in de trant van ‘bestuurster is vergeven, maar alstublieft, meldt u zich’. Want waarom niet? Angst ja, lafheid natuurlijk, maar zet je eroverheen, er is immers niks aan de hand. ‘Ik begrijp het niet,’ schreef ze, ‘iedereen is toch verzekerd?’ Er meldde zich niemand. Dus ging ik me ermee bemoeien, daar kun je de klok op gelijkzetten. Dat ging zo:

‘Reken er maar niet op, M. Op de schaal van extreem empathisch naar extreem psychopathisch zit de één nou eenmaal meer naar links en de ander meer naar rechts. Als die chauffeuse neigt naar rechts, voelt ze gewoon niks.’
‘Ze is vergeven Linie, ze moet zich alleen melden.’
‘Als ze geen compassie kent, heeft ze ook geen boodschap aan vergeving .’

Mijn gedachte was: gaat het om een psychopaat, kunnen we het verder vergeten, maar is die vrouw alleen maar erg geschrokken, dan zal ze dit niet op zich laten zitten.

Er waren vanaf het begin veel reacties op M.’s Facebookbericht. Die staan er, zo lijkt het, allemaal nog steeds. Het bovenstaande fragment echter werd er binnen vijf minuten integraal afgehaald. Niet door M., bezweert ze mij. En zeker niet door mijzelf. Wij weten niet eens hoe je een bericht van iemand anders moet verwijderen.

Dus ergens vindt er censuur plaats. Waar weet ik niet. Wie het doen weet ik ook niet. Waarschijnlijk de artificial intelligence bots van Facebook. Kennelijk slaan ze aan op de term ‘psychopathisch’. Dat zal wel schelden zijn, denken ze, dus dat deleten we.

Op 10 januari jl. gebeurde er iets soortgelijks. Er ontstond, naar aanleiding van de zoveelste perverse prijsstelling door een farmaceutisch bedrijf voor een kankermedicijn, een discussie op Facebook over het schandelijke gedrag van deze multinationals. Ik schreef iets als ‘onze ziekenhuizen kunnen dit medicijn zelf maken, laten we dat gewoon doen als de industrie dit soort criminele activiteiten ontplooit…’ Er verscheen een rood uitroepteken bij dit bericht en het volgende moment was het verwijderd.

Ik kan je niet zeggen hoe bevredigend ik deze dingen vind.
Eindelijk word ik serieus genomen!

Virus alert!

Hebben jullie het al? Zit er een verpleegtehuis bij jullie in de buurt? Want het heerst tijdens de wintermaanden, het norovirus, en je krijgt het als je vrijwillig werkt in een verpleegtehuis (wie goed doet, goed ontmoet). Maar ook wel als je daar onvrijwillig verblijft of zelfs maar op bezoek gaat zonder één bejaarde aan te raken. Vandaar het advies van de overheid in deze tijd: blijf binnenshuis, hou ramen en deuren goed gesloten en kom niet aan bejaarden. Ik had alle drie in de wind geslagen. Donderdag had ik mijn vaste rolstoelpatiënt (89) zelfs hier en daar met blote handen schoongepoetst. Dus sloeg de vijand zondag toe, na een zware stoofpot van bruine bonen, zilvervliesrijst, gebakken aardappels, paprika, ui, champignons, tofu en een spiegelei. Zaterdag hadden we alleen wat soep met brood gegeten, maar daar vindt dit virus niks aan, dat levert onvoldoende rendement. Het wil bruine bonen en daar dan bij voorkeur ’s nachts om half een mee aan de gang. Het wil dat je vanaf dat moment af en aan naar de wc holt en in het wilde weg gokt op eerst kop of kont. Het was me bijgevolg een drukte van jewelste. Niet aflatende kramp in de linkervoet en aan hallucinaties ook geen gebrek. Het ene moment vervuld van dank dat ik in zo’n leuk huisje op de prairie woonde, het volgende moment groene monsters in de plee. Maar door de bank genomen zat ik gewoon uit te drogen op de rand van mijn bed. Teiltje op schoot en maar mikken, elk kwartier, tussen de oorverdovende oprispingen door. Om van de in uiteenlopende richtingen jubelende tenen maar te zwijgen. Die duwde ik telkens wel terug tegen de deur van het nachtkastje, maar eigenlijk meer gebouwd op schone schijn kraakte dat amechtig in zijn voegen. Zoveel tumult veroorzaakt dit virus, dat zelfs A. er na de nodige bedenktijd voor uit haar slaapkamer kwam, het spektakel in ogenschouw nam en de slappe lach kreeg. Ze beschikt nou eenmaal niet over zo’n heel gevarieerd palet aan reactiemogelijkheden. Een kwestie van eenvoudige komaf, waar verder niemand iets aan kan doen. Nochtans deelde ik haar op afgemeten toon mee dat ik doodging. Ze verstond het niet goed en hikte een vraagteken. Ik informeerde of een en ander haar een gepast soort gedrag leek aan iemands sterfbed. Daarop zeek zij in haar pyamabroek. The one with the little kittens. Net die avond schoon aangedaan. Zondag, hè? Nieuwe week, nieuwe pyama. Ja, en dan vergaat het lachen je wel. Er is, ik heb er al eens op gewezen, wel degelijk zoiets als hemelse gerechtigheid, alleen je weet nooit wanneer je erop mag rekenen en wanneer niet. Nu blijkbaar wel. De gewraakte attitude maakte plaats voor gelamenteer, gestommel in de badkamer en gesla met kastdeuren. Jij ook altijd met je bejaarden!

Het bleef nog lang onrustig in het kleine huis op de prairie.

Na een dag of drie, vier was ik weer boven Jan.
Nog wat rillerig misschien, maar niet meer suicidaal.

Het besmettingsgevaar via hand of adem was toen ook geweken.
Alleen met poep gooien mag je pas drie weken later weer.
Maar dat is te doen, hè?

Pieken, dalen en de norm

We zitten hier natuurlijk met de jaarlijkse burn out van Sinterklaas, Kerst en Oud en Nieuw, maar ook buiten de erkende feestdagen is er teveel vermaak in het dorp. Het gaat van Halloweendiscozwemmen tot Koopjesfestijn, van Lampionnenoptocht tot Skateboard Event, van Elvis Christmas Show tot Goochel Workshop en het komt erop neer dat niemand zich nog een seconde mag vervelen. Eens even nadenken zonder rap en hiphop uit boxen aan de muur, getoeter van de kermis, smartlapkoren op de markt? Joh, laten we er ook nog een carillon bij doen! Waarom? Nou, we hebben er toch nog geen! Iedereen heeft een carillon, alleen wij niet! Het is de middenstand die dit alles voor ons bedenkt, terwijl de rest als zombies van de ene attractie naar de andere doolt, her en der euro´s over de toonbank werpend. Ik gun het de middenstand graag, daar niet van. Zonder middenstand zijn we helemáál reddeloos overgeleverd aan de moestuin. Maar er is teveel en meestal overal tegelijk collectief amusement, zodat de arme dorpeling hollend zijn kroost bij de lurven grijpt, anders redt hij het niet. Want hij wil toch ook niet net tussen twee attracties in bezwijken aan zijn burn-out. Zoiets wil niemand.

Persoonlijk ben ik, zo weten wij uit vorige blogs, wel zo ongeveer de ergste van allemaal. Want wat doe ik met mijn hersens? Midsomer Murders kijken (voor de tweede keer, maar ik weet nooit meer wie het gedaan heeft of waarom), The Big Bang Theory (voor de derde keer), Friends (waarvan ik alle afleveringen intussen uit mijn hoofd ken). Terwijl hoe hoger je IQ, zo weten wij ook uit vorige blogs, des te groter de verantwoordelijkheid er iets zinnigs mee te doen. Gelukkig is het mijne dankzij een halve eeuw stoïcijns slaapmiddelengebruik intussen afgevlakt naar rond de 85. Dus heb ik met Kerst en Nieuwjaar alle acht afleveringen van l’Amica Geniale, gebaseerd op de vier Napolitaanse romans van Ferrante, bekeken, alsmede het zes uur durende epos La Meglio Gioventú van Marco Tullio Giordana. Goed en mooi entertainment voor senioren met een licht verstandelijke beperking. Zo heet dat, merkwaardigerwijs. Want wat een lichte beperking is, snap ik nog net, maar wat betekent licht verstandelijk eigenlijk precies?

Divertissement de norm, reflectie de afwijking. Er zijn weliswaar van die belevingstrajecten, bijvoorbeeld hier vlakbij in de Heilige Landstichting, die je met heel het gezin langs de kruisweg van Jezus voeren, maar dat zijn toch ook meer pretparken dan wat anders. Er staan weliswaar geregeld mensen stil bij zo’n statie, maar dat is omdat ze oud zijn en asthma hebben. Anders ga je ook niet naar zo’n kruisweg natuurlijk.

Om het vanzelfsprekende van de norm – we stipten het al even aan toen we constateerden wat een ongelooflijke loser de normale mens eigenlijk is – gaat het mij. Aan het niet nadenken over die norm moeten we iets doen, bedoel ik. Althans jij, ik ben te moe van het televisiekijken. Bijvoorbeeld – ik weet ook niet hoe ik daar nou weer ineens opkom – de norm die zegt dat asthma een ziekte is. Hoezo? Ja, hier in Nederland, waar een grote minderheid vroeg of laat iets aan de luchtwegen krijgt en dan afwijkt van het voorschrift dat een normaal mens zonder hoesten door het leven gaat. Maar wat is dat voor norm in een land dat zelf asthmatisch is van alle vieze fabrieksschoorstenen, auto-uitlaten, barbecueroosters, open haarden, vrachtwagens, mensen die hun tanden niet poetsen, mensen op scooters, mensen die bij de geringste tegenslag een reeks reutelende winden laten? Hè? Als onze rochelaars in Oostenrijk gaan wonen, in de bergen, met wind zoals wind bedoeld is, hebben ze nergens last meer van. Dan wijken ze ineens nergens meer van af. Dan hoor je de dokters niet meer met hun ‘u bent ziek, u hebt COPD, uw luchtwegen kunnen het normale leven niet aan’. Wat je in Oostenrijk hoort zijn Oostenrijkse dokters die zeggen ‘Sie haben ja ganz recht dasz Sie den kranken Feinstoffbubl hinter sich gelassen haben’. En zo, wil ik maar zeggen, is het ook met de moderne fratsdiagnoses. De kinderen die nou al die drukke etiketten opgeplakt krijgen, leefden zich vroeger lekker uit in schone buitenlucht, speelden in korenvelden rond de boerderij, klommen in bomen, ragden door sloten en kreupelhout en gingen dan zonder eten naar bed, vanwege de winkelhaken in hun broek, tenzij ze alleen maar een gat in hun kop hadden, want dat vonden onze moeders niet zo’n punt, daar gingen ze even met een nat doekje overheen en klaar was kees, waarna we soep met brood kregen en ook nog even naar Paulus de Boskabouter mochten luisteren.

Eergisteren wees een vriendin mij op het bestaan van het computerspelletje Peaks. Dat meet je IQ. Ik blijk daar heel, heel slecht in te zijn. IQ 85? Ja, dat had ik gewild! Met name mijn korte-termijn-geheugen schijnt bovenmodaal aangetast te zijn. Bij de meeste onderdelen deelt Peak mij juichend mee dat ik in ieder geval beter ben dan 6% van mijn medespelers. Zo rond de 50% zou normaal zijn, dus je begrijpt dat ik in zak en as zat. Maar zoiets duurt gelukkig nooit lang. Het diepgaande inzicht in mijn eigen falen namelijk maakt mij naar ruwe schatting toch weer stukken beter dan 94% van mijn medespelers. Goed zo Linie, prima debuut, ga zo door. Met vriendelijke groet, Peaks.

Dit is wat men met normen moet doen.
Ein bissel kaltstellen, ja?

Zo bedacht ik gisteren tijdens een discussie bij Jinek over het immense gevaar van fake news, dat fake news al heel lang bestaat en dat de bijbel misschien wel de eerste full blown fake news bubble ooit was. Verheugd over deze sprankelende vondst googlede ik vervolgens op ‘eerste nepnieuws bijbel’, in de hoop dat de Babyloniërs nog eerder aantoonbaar sjoemelden met hun kleinotaties betreffende ontvangen geiten en zag toen dat veel anderen mij reeds voorgingen met de bijbel. Heel veel anderen. Ik was hierin naar schatting beter dan 23% van de totale medemens. Niettemin goed gedaan hoor, prima debuut.

Hoewel nog lang niet klaar met het afserveren van de norm en haar wurgende greep op ons welzijn ben ik nou eerst wel weer aan een borrel toe. So wie so staat dit soort bespiegelingen – net als trouwens de was ophangen, dingen van en naar de moestuin kruien, plastic scheiden van groen-, fruit- en tuinafval, statafels klaarzetten voor topoverleg tussen moestuinmensen, met restafval achter de vuilniswagen aan hollen, koffie zetten voor moestuinmensen, kortom die hele rompslomp die leven heet, douchen, tandenpoetsen, aardig zijn voor moestuinmensen – mijn drankgebruik betreurenswaardig vaak in de weg.

Santé Fons, op het Nieuwe Jaar!

Kunst en vliegwerk

Net als vorige maand was ik negen jaar geleden ook bij een concert in de Nijmeegse Vereeniging. Wij gaan iedere negen jaar naar een concert, mijn vriendin en ik. Het was in 2009 op 16 november om precies te zijn. Ik herinner mij dat ik er in een brief – ja Fons, toen schreven de mensen nog brieven, dat was net zoiets als bloggen – aan mijn nicht over schreef. Zij schreef ook nooit terug.

We waren bij een uitvoering van het Nijmeegse Mannenkoor, dat weer eens een keer zoveel jaar bestond, 150 meen ik. Tijdens die bewuste uitvoering vielen er twee mannen flauw. Koorleden welteverstaan, mannen uit het koor. Het was halverwege het Slavenkoor van Verdi, dat je beslist ook kent. Wat wilde echter het geval: de dirigent liet gewoon doorzingen. Terwijl die mannen dus midden op het podium bezwijmd ineenzakten. Ze waren weliswaar koninklijk goedgekeurd, net als de rest, maar in doorsnee waren ze met z’n allen wel ongeveer 70 jaar oud, overwegend kaal en merendeels wankel ter been. Dus zo gek was dat flauwvallen niet, zeker als je al een uur of twee hebt staan zingen, in een door de dirigent opgelegd tempo bovendien dat voor het gemiddelde lid bepaald een uitdaging vormde. Terwijl hulpverleners af en aan liepen, zich een weg banend door het met grote schrikogen doorzingende koor, weigerde de dirigent een pauze in te lassen. Ik heb mij er nog persoonlijk mee bemoeid, door zo’n beetje half luid en vooral goed van mijn verontwaardiging getuigend ‘Hou nou op, dirigent, schei nou toch uit’ te roepen en ook om mij heen nam  het rumoer toe. Het vrouwenkoor Mnemosyme, dat zich vooraan op het podium bevond, had zich reeds als één man omgedraaid om de verwikkelingen achter zich beter te kunnen volgen. Maar de dirigent, hij ploegde voort. Zelfs toen het nummer – ‘vlieg gedachte, op gouden vleugels’ – volledig uitgevlogen was en hij dus een ‘natuurlijk’ rustpunt had kunnen inlassen, wilde hij van geen opgeven weten. Hij hief zijn armen voor het volgende onderdeel. De solist – die kennelijk eveneens zijn laatste trein nog wou halen – begon alvast op eigen gelegenheid, maar dat ging zelfs de dirigent te ver. Twee tellen later echter gaf hij groen licht, het orkest zette in, het koor volgde en op ongeveer een kwart van dit nummer – ook de laatste hulptroeper verliet nu het podium – stak een van de overeind  gebleven koorleden zijn beide duimen naar hem op, ten teken dat er geen – althans geen hinderlijke – doden te betreuren vielen. Maar het bleef nog lang onrustig, zowel in de zaal als op de bühne.

Cultuur is geen lolletje.

Maar soms ook weer wel. Afgelopen vrijdag 7 december bijvoorbeeld moest ik naar een soort congresje van de omroep. Het regende pijpenstelen en ook rukten stormvlagen mijn paraplu keer op keer binnenstebuiten. Gelukkig trouwens maar dat dit kon, anders was ik zo over Wijchen heen richting grote stad gewaaid. Nu wist ik met inspanning van al mijn krachten lopend de trein te halen. Vervolgens is het dan altijd even afwachten of ik in de goeie zit, want merkwaardig vaak is dit niet het geval en vertrek ik richting Den Bosch, waar ik meestal niet heen wil. Ditmaal ging het goed en woei ik vanaf het station in Nijmegen alsnog naar het congrescentrum, waar men mij verwachtte. En wel in de VIP-lounge, waar ik van nature meestal wel heen wil, maar tot dan toe nog nooit was geweest. Althans, ik nam uiteraard ook nu eerst de verkeerde van de beide hoofdingangen en kwam in een ander soort lounge, met allemaal heerlijke buffetten en achter de balie een Chinese receptioniste. Tenminste dat denk ik, Chinees. Soort van intuïtie, niet goed uit te leggen.
‘Kan ik u helpen, mevlouw?’
‘Ja graag, ik zoek de VIP-lounge, voor de locale omroepen.’
‘Oh omloepen, andele deul, ingang links.’

Dus ik denk nog ‘rinks, hoezo rinks’, maar uiteindelijk vond ik de goede deur.

Het congresje stelde me enigszins teleur, maar zo’n korte ontmoeting tussen twee culturen beurt me wel altijd op. Net als het ‘blootje gezond’, dat we eens in park Sonsbeek geserveerd kregen. Het zijn de kleine dingen die het doen, vind ik. Niet de glote.

Had ik je al gesuggereerd om jouw lieve echtgenote, als ze tenminste ooit nog weer terugkeert van het vluchten voor de bouwwerkzaamheden in jullie huis, de vier romans over Napels van Elena Ferrante cadeau te doen? Die gaan ook over cultuurverschillen, met name die tussen bewoners van een Napolitaanse achterstandswijk en de beter gesitueerden in Italië. Beschreven vanuit de hoofdpersoon die, met keihard werken, strategisch trouwen, talent en geluk, van een dubbeltje een kwartje wordt, maar toch onontkoombaar haar hele leven het achterstandsverleden met zich mee blijft dragen en ziet hoe schrijnend pijnlijk haar jeugdvriendin, die alles in zich heeft om een glanzende euro te worden, afglijdt tot een roestige cent. Erg mooie romans, niet zozeer stilistisch misschien, maar wel inhoudelijk, psychologisch, qua verhaal en vertelstructuur.

Niemand weet wie Ferrante, de auteur, eigenlijk is. Tot op heden een machtig mysterie. Ik denk zelf – gezien de minieme schoonheidsfoutjes, chronologisch of anderszins, die ik af en toe tegenkwam – dat het een echtpaar is. Mark my words.

 

Hobby’s en andere ongemakken

Kijk, nou heb ik iets – plat vermaak op jouw flatscreen – om puntsgewijs op in te gaan!

Intermezzo van drie maanden.

Jij mag – maar alleen omdat jij het bent – telkens ongeveer een kleine drie maanden geen blog schrijven. Wee je gebeente als je het wel doet, dan zijn de rapen gaar, zeg maar. Wist je dat ik een ongelooflijke hekel heb aan de stoplap ‘zeg maar’? Van de week echter zei ik het voor het eerst van mijn leven zomaar zelf. En dan ook nog twee keer in één gesprek. Ik vroeg de geïnterviewde historicus, een expert in oude burchten, iets over ‘de algoritmerevolutie, zeg maar’ en of hij nog toekomst zag voor ‘de homo sapiens, zeg maar’. Waarom kan een mens zulke dingen niet, zeg maar, gewoon vragen? Hè? Fungeert de stoplap als excuus voor blaaskakerij? Of ben ik bezig kinds te worden? Dat laatste bevalt overigens in zoverre wel redelijk dat ik tegenwoordig ook vergeet dat ik dingen vergeet. Als ik, terwijl de ander zijn antwoord formuleert – ‘nou mevrouw, met de door u genoemde algoritmerevolutie is het zo, dat ik eigenlijk niet weet waar u het over hebt, maar de vroeg middeleeuwse motteburchten, die moeten wij hoe dan ook zien te bewaren, immers… ‘ –  even een daardoor opgeroepen gedachte vast wil houden tot hij uitgepraat is, dan zijn tegen die tijd a. de gedachte als zodanig en b. ook de vage herinnering eraan weg. Nou, opgeruimd staat netjes, zou je zeggen, maar hoe kun je dan toch nog beseffen dat er twee rommeltjes zijn opgeruimd? Omdat ik in een overgangsfase zit, vermoed ik. Volgens mij zit de hele homo sapiens in een overgangsfase. En soms beseft hij dat, maar meestal niet.

Weet je dat je vóór de TV zit en achter de computer? Weet jij hoe dat zit? Jij bent toch goed met woorden? Wil je dat eens voor me uitzoeken?

Natuurlijk zoek ik zoiets voor je uit. Het is als volgt: ergens vóór gaat men zitten als men niet van plan is iets zinnigs te doen, ergens achter als men aan het werk wil. Zij zit er voor spek en bonen bij. Hij zit achter de vrouwen aan. De bende zit voor twee tot vijf  jaar vast. Ik zit achter het stuur. Jij zit voor je uit te staren. Men zit ons achter de vodden. En zo voort en zo verder. Leer het anders even uit je hoofd, zoveel is het niet.

Het tv-kijken

Dat doe je volgens mij wel zo’n beetje goed. Ik deel je bezwaren tegen de kwaliteit en de tussendoorreclames van de commerciëlen en vind de publieke zenders over het geheel net een slagje minder slecht. Maar naar Lubach kijk ik niet, omdat ik gek word van die lachband, ook al ontkent hij het bestaan ervan nog zo guitig, op een manier die natuurlijk zelf grappig bedoeld is. Dat spreekt voor zich. Wat denken wij wel.

Over Netflix kan ik niet meepraten, omdat dat er financieel helaas niet inzit hier. Ik deel echter wederom je aversie tegen al die Nederlandse series bij NPO en commerciëlen. Misschien wel ten onrechte, want ik kijk er eenvoudig niet naar. Wel pik ik af en toe een IJslandse detective mee, die ik dan soms toch aardig vind, vermoedelijk omdat de vreemde taal imperfectie camoufleert. Midsomer Murders, met John Nettles – want diens opvolger Neal Dudgeon is zelfs in het Engels te zakkig om aan te zien – kijk ik vooral om de pittoreske landschappen, cottage-interieurs en middle-class-tuttigheid. Het verhaal volg ik niet, want na een minuut of tien haal ik namen door elkaar en weet ik niet meer wie wie is en waarom in godsnaam. De plot komt dan ook vrijwel altijd als een geweldige verrassing. Vroeger was het standaard de butler, als arche type voor de minst verdachte persoon. Nu is het meestal de liefste, aardigste, eerlijkste, leukste of betrouwbaarst ogende.  Maar – afgeleid door al die interieurs en landschappen vermoedelijk – vind ik de verkeerde figuren vaak het leukst, dus zit de gok er altijd naast. Ik heb intussen sterk de indruk dat ik afdwaal, maar ja, waarvan eigenlijk? Hoe dan ook, Midsomer Murders is gezellig en rustgevend, stukken comfortabeler dan mafiamoord, marteling en uitgemergeld sterven aan een overdosis heroïne. Dat soort dingen doet de homo sapiens maar in zijn vrije tijd.

Hoewel, eigenlijk zijn mafiamoord, marteling en uitgemergeld sterven in het gemiddelde Hollywoodprodukt ook best geruststellend. Je kijkt ernaar en vergeet het weer. Maar kijk naar ‘Gij zult niet doden’ van Kieslowsky en je ziet het verschil tussen geruststellende kitsch en verontrustend realistische kunst. Wist je dat door deze film de doodstraf in Polen eind vorige eeuw werd afgeschaft? Zoiets heeft tot op heden geen Hollywoodfilm ooit voor elkaar gekregen.

Maar of ik intussen al zoals jij helemaal zonder omroepen en hun ideologie kan, betwijfel ik. Hier in huis ontvangen wij sinds jaar en dag twee VPRO-gidsen, om de Vrijzinnig Protestanten toch maar vooral in het zadel te houden. Als er niemand meer namens ons vrijzinnig protesteert, om het even waartegen en met of zonder lachband, waarvoor leven we dan nog, vraag ik mij vaak krabbend af. Gevolg is wel dat ik daar niet ook nog Netflix bij kan hebben.

Jouw tekeningen

De samenwerking met Gustave Riom leidt werkelijk tot wonderschone producties. Van mij mag je daar tot in lengte van dagen mee doorgaan, ik zou er zelfs de termijn waarbinnen je geen blog meer mag schrijven voor willen verlengen tot een half jaar. Maar dan moet je de tekeningen wel op je website zetten!

Nu nog als uitsmijter een addendum bij mijn vorige blog

Want ik vergat aangaande de lectuur die mijn jeugd beheerste nog de toonaangevende figuren in de verhalen van Tom Poes en Heer Bommel te vermelden: Kapitein Walrus, professor Prlwytzkofsky, Alexander Pieps, burgemeester Dickerdack, Joris Goedbloed, professor Sickbock, markies De Canteclaer, Pee Pastinakel, Terpen Tijn, journalist Argus, Kwetal, Okke Zielknijper, Zwarte Zwadderneel, commissaris Bulle Bas, brigadier Snuf, ambtenaar eerste klas Dorknoper, Wammes Waggel, boeven Bul Super en Hiep Hieper, Hocus P. Pas.

Kortom er doet niet één normaal personage in mee, in de vorm bijvoorbeeld van, zeg maar, een vrouw. Of wacht, er is natuurlijk juffrouw Doddeltje! Maar haar functie beperkt zich hoofdzakelijk tot het met de thee klaar zitten als Heer Bommel en zijn jonge vriend in hun oude Schicht huiswaarts keren van hun zoveelste bloedstollende survival experience. Zouden mijn ouders werkelijk hebben gedacht dat ik mij met juffrouw Doddeltje indentificeerde? Joost mag het weten. Mijn ouders dachten niks, denk ik. Of hooguit ‘voor een ongelukje is het best een zoet kind’. Maar hoe kan zelfs het zoetste kind iets beginnen met iemand die alleen maar klaar zit met thee? Kijk, als Marten Toonder Doddeltje ook had laten strijken, koken, de was doen, kleine teddyberen baren, luiers verwisselen, breien, naaien, stofzuigen, poetsen, Heer Bommels vermoeide schouders masseren, ja dan had ik begrepen wat mijn taak was. Nu voelde ik mij tot ongeveer mijn tiende noodgedwongen vooral verwant met Tom Poes. Daarna kreeg ik in de gaten wat een irritant gozertje dat eigenlijk was en nam Ollie B. zijn plaats in als idool. Tegenwoordig zwabber ik zo’n beetje tussen de pientere journalist Argus, bereid in de diepste riolen af te dalen voor een goeie roddel, en de Zwarte Zwadderneel, voortdurend bezig door middel van persoonlijke boetedoening de wereld te verbeteren.

Als de Zwarte Zwadderneel links jeuk heeft krabt hij ook altijd even rechts.

Afbeeldingsresultaat voor Hollywood the end