Ceci n’est pas un blog

Ik heb het er eens met mijn man over gehad Fons, maar wij prijzen ons allebei toch wel heel gelukkig dat wij zelf geen kennissen hebben die hun elektrische fiets op de auto laden, ermee naar de Achterhoek rijden en daar dan op genoemde fiets stappen zonder de batterij aan te brengen. Wij kennen ook heus wel opmerkelijke figuren, waaronder relatief veel narcisten, maar met dit soort fietsgedrag godzijdank niemand. Wij begrijpen ook niet goed waarom jullie niet iets, al is het maar een héél klein beetje, zorgvuldiger kunnen zijn in het maken en dan met name ook nog aanhouden van kennissen. Ik bedoel wij leggen die van ons bijvoorbeeld periodiek onder de loupe, beslissen dan van deze en gene dat zij geen kennissen meer zijn en kijken ze nooit meer aan. Drastisch zeg je? Ja, maar het leven is kort en om het ten volle te savoureren, moet je soms gewoon ouwe kennissen wegdoen, zodat je weer nieuwe kunt maken. Want het absolute aantal kennissen dat een mens erop na kan houden heeft een maximum, hè? Ik geloof officieel 150, maar zelf hou ik het graag op 22. Een elektrische fiets kopen en dan de batterij er niet op doen, er zijn echt grenzen!

Dit is overigens geen blog hoor. Ik wil je alleen vast danken – want ik heb het erg druk en nou moet ik ook nog naar het oorverdovende Dwingeloo – voor jouw vorige twee vakantieverslagen. Lekker om te lezen en mooie rooie plaatjes om bij weg te dromen. Daar ga ik nu nog een keer naar staren onder het Dona Nobis Pacem van Ralph Vaughan Williams. Zó ontroerend mooi is dat! Ik heb het pas recent ontdekt, via mijn nieuwe filosofische kennis. Voor hem ga ik denkelijk mijn stalker wegdoen, want daar beleef ik echt helemaal geen plezier meer aan.

In mijn volgende blog licht ik je als een heldere vlam uit het duistere levenstumult bij over de afgelopen week, waarin ik volgens mij meer heb meegemaakt dan je menselijkerwijs voor mogelijk houdt. Tot dan!

Vakantieblog deel 2

C. wilde graag naar museum Het Schip in Amsterdam. Ik dacht dat dat over scheepvaart ging. Stuurwielen en zeemansknopen, dodelijk saai. Ik zocht al naar uitvluchten om niet mee te hoeven. Hoe kon ik mij zo vergissen! Het museum gaat over architectuur van de Amsterdamse School. Het ontleent zijn naam aan zijn vorm. Het staat ook in een wijk waar de woningen van die school gebouwd zijn.

De Amsterdamse School was een soort rebellenclub van architecten, aan het begin van de vorige eeuw, die de architectuur wilden vernieuwen. Niet de zakelijke en sobere benadering van Berlage, maar meer expressieve kleuren en materialen en meer versieringen.

De Amsterdamse School was niet alleen een architectuur- maar ook een kunststroming. De opvatting was dat kunst niet alleen voor de elite, maar voor de hele samenleving was bestemd. Daar is in het museum het nodige van te zien. Mijn oog viel op een poster met daarop een ode aan De Proletarische Vrouw. Dat was een tijdschrift uit die tijd en bij het 25-jarig bestaan daarvan maakte Margot Vos een lofdicht, niet op het tijdschrift, maar op de proletarische vrouw.

Linksonder op de poster staat de naam van Fré Cohen, die de poster heeft ontworpen. Zij was grafisch ontwerper in een tijd dat dat beroep alleen door mannen werd uitgeoefend. Zij was erg goed in haar vak, wat ik ervan gezien heb. In 1943 is zij omgekomen in een concentratiekamp.

Fré Cohen (1903 – 1943)

Natuurlijk was ook werk van Albert Hahn te zien. Stemt rood! Nog steeds een actuele oproep.

Nu ik het daar toch over heb: veel, om niet te zeggen bijna alles, wat je schreef over hoe politieke partijen omgaan met het dierenwelzijn kan ik wel onderschrijven. Maar je zegt het: ik leg de nadruk op iets anders. Vroeger bestond de PvdD niet eens, nu wel. Kunnen we dat een soort emancipatie noemen?

Ondertussen zijn we ook in Dwingeloo geweest. “Gaan jullie Dwingeloo op de kaart zetten?” vroeg mijn zus verbaasd toen ik haar onze vakantieplannen vertelde. Alsof dat iets onvoorstelbaars was. Ik haal dan altijd dat beroemde gezegde aan: “Je moet er geweest zijn om erover te kunnen oordelen”. Ik geloof niet dat dat speciaal op Dwingeloo sloeg, maar het bleek ook hier te kloppen. Dwingeloo is een geinig dorpje, redelijk fotogeniek, met relatief veel eetgelegenheden. Maar het succes van ons verblijf daar kwam vooral door de fietstochten die we in de omgeving hebben gemaakt. Het is een oorverdovend mooi landschap. Wij hadden geen elektrische fietsen, die waren ’s ochtends altijd als eerste uitverhuurd, maar het rijgenot was er niet minder om. Wij, C. en ik, wij kennen mensen die hun elektrische fietsen op de auto laden, ermee van Wijchen naar Diepenheim rijden, daar op de elektrische fiets stappen zonder de batterij aan te brengen. Werkelijk! Als je dat ziet geloof je je oren niet . . . .

Fietsen en Klemmen

Wij wilden in de Achterhoek de graven van mijn familie met schep, schoffel, hark en verse plantjes een vrolijk zomeraanzien geven, maar eerst Kunst in Diepenheim bekijken door een lekker boomereind te fietsen. Dus de E-bikes achterop de auto gemonteerd – wat helaas altijd weer met veel gevloek en ook best middelzware blessures mijnerzijds gepaard gaat, omdat mijn vingers elke keer opnieuw in die ene terugklappende klem van de fietsendrager bekneld raken, meestal op het moment dat ik opgelucht denk het onderdeel met de klem schadevrij gepasseerd te zijn – en vlakbij het kerkhof geparkeerd, teneinde via een geplande knooppuntenroute van zo’n 50 kilometer via Diepenheim en de Kunst weer bij de graven uit te komen. Maar eerst moesten de fietsen even getest natuurlijk. Welnu, de mijne deed het niet. De display op mijn stuur zei van wel, maar ik voelde geen enkele ondersteuning bij het trappen, waardoor mijn linkerpink, toch al blauwzwart van ellende, nog zwaarder begon te bonzen.
‘Hij doet het niet A., mijn fiets!’
‘Ach, natuurlijk wel, niet zo gauw zeuren altijd.’
Intussen draaide ook zij een rondje om de grote eik op de parkeerplaats, stapte af, bekeek de display op haar stuur, stapte zonder ook maar enig gezeur weer op, reed nog een rondje om de grote eik, riep toen ‘Jezus, de mijne doet het ook niet’ en stapte weer af. We bekeken samen haar display, vervolgens bekeken we samen mijn display, maar met onze displays was helemaal niks mis, die deden wat ze moesten doen. We schoven ze van het stuur en er zo stevig mogelijk weer op. Eco, tour, sport en turbo: feilloos.
‘Christus’, zei A., zodat ook de grote eik snapte wie ze daarnet precies bedoelde, ‘Wat een onverwachte teleurstelling, hoe kán dat nou, dit is echt héél, héél vervelend.’
‘Ja’ gaf ik toe, ‘Dat is het zeker, je had net zo’n mooie route uitgezocht. Raar ook hè, dat ze het allebei ineens niet doen?’
Ik zag aan haar gezicht dat er op dit soort als gezellig bedoelde keuveltoon momenteel niet geconverseerd kon worden. So wie so liever niet, maar dit specifieke moment leende zich er helemáál niet voor. Met de diepe frons waaruit ik een en ander afleidde, stapte ze opnieuw op haar fiets en begon aan een laatste verbeten ronde om de grote eik. Ik keek haar na. Bezag mijn eigen fiets nog eens, een beetje gedesillusioneerd, dat wel, maar toch: mooi fietsje, zo glanzend nog van nieuwheid. Toen bekeek ik, eigenlijk met dezelfde toch wat afwezige blik, de fiets met mijn voortzwoegende vriendin erop nog eens, voelde hoe mijn linker wenkbrauw langzaam omhoog trok en riep haar achterna:
‘Hé A.!’
‘Ja, wat nou weer?’
‘Zullen we anders de accu’s er eens opdoen?’

Het werd vervolgens een prachtige tocht via Diepenheim, die we afsloten met een fraai staaltje gravenrenovatie op het kerkhof. De Kunst onderweg was niet echt om over naar huis te schrijven en zeker niet naar jou, met juist zo’n verkwikkend uitje Arnhem-Zutphen achter de rug. Jouw beide musea daar ken ik inderdaad ook, maar tijdelijke tentoonstellingen zijn meer A.’s pakkie-an. Die bezoekt met haar museumclub zes tot acht keer per jaar ergens in Nederland zo’n wisselexpositie en schrijft daar dan weer over in mijn Tijdschrift voor de Stuurgroep Cultuur. Overigens, maar dit terzijde, anders loopt het weer zo uit de hand, vertrouwde het bestuurslid kleine activiteiten, zelf begenadigd met een indrukwekkende persoonlijkheidsstoornis, mij toe het bestuurslid grote activiteiten een narcist van de eerste orde te vinden. De grote activiteiten op zijn beurt vertelde mij vorig jaar eveneens aldus over de kleine te denken. Ze hebben beiden niet echt door dat je zonder deze eigenschap überhaupt geen lid van het Centrale Comité wordt. De andere leden, waaronder ikzelf, hebben dit wel door, maar gebruiken hun aangeboren charme om de rest van hun persoonlijkheid zo goed mogelijk aan het oog te onttrekken.

Tja, de kwestie duur- versus dierzaamheid. Natuurlijk heb je gelijk dat er een grootscheepse integrale allesomvattende systeemverandering nodig is. Maar dat iedereen tegen dierenleed zou zijn, daar geloof ik geen bal van. Met de mond belijdt men uiteraard graag dat men het beste met dieren voorheeft. Maar in feite willen de meeste mensen toch graag dat lekkere, liefst goedkope vlees uit de supermarkt en weigeren ze te kijken naar de kiloknallende gruwelen achter hun smakelijke varkenshammetje. Ook geloof ik niet dat het bestrijden van dierenleed, zoals jij zegt, alleen maar symptoombestrijding is. Of laat ik het over deze boeg gooien: symptoombestrijding kan ook zinvol zijn. Fundamenteel, radicaal en in samenhang aanpakken, ja graag, maar zo gaat het in de Realpolitik nergens en bovendien is wat mij betreft de behandeling van dieren toch tezeer een kwestie van beschaving om die op haar beloop te laten. Afwachten of het met die van extra tepels voorziene productiezeugen ook best goedkomt na de gewenste algehele grootscheepse aanpak is net wat ik niet schouderophalend wil doen. De dogmatische één-item-Partij voor de Dieren kwam er juist omdat geen van de andere partijen merkbaar iets gelegen is aan het dierenwelzijn. Als zij de bio-industrie al noemen, is het ten behoeve van het klimaat en daarmee van onszelf, het is telkens de mens en diens welzijn waarom het gaat. Veeteelt, zo luidt de redenering, moet vervangen worden, niet vanwege het ermee gepaard gaande dierenleed, maar vanwege de erdoor veroorzaakte milieuschade. Daar zit hem bij mij de pijn. De mond steevast vol over minder ammoniakuitstoot, maar nooit over minder dierenleed. In geen enkele discussie over het criterium voor de uitkoop van boeren speelt dat een rol, laat staan de hoofdrol die het wat mij betreft zou mogen hebben. Dat was met de Club van Rome al niet het geval en dat is nog steeds geen hoofdargument. Dus ik ben het wel met je systeemomvattende stellling eens, maar mijn accenten daarbinnen zijn andere dan de jouwe. En ook bij die fundamentele aanpak moet je toch ergens beginnen? Dan eerst inderdaad maar eens weg met de wantoestanden in de veehouderij. Want voor je het weet is die bubbel van de BBB, die van halve waarheden hele leugens maakt, straks de grootste in de Tweede Kamer. Ik moet er niet aan denken.

Vakantieblog deel 1

Eerst maar even technisch. Ik zal het je zo duidelijk mogelijk uitleggen: ik heb geen idee waarom er op 17 mei ineens 57 bezoekers onze blogsite hebben bezocht. Maar ik geef toe dat ik nog geen enkele moeite heb gedaan om dat uit te zoeken. Weet je wat? Ik kom er nog op terug.

Waarom zou het dierenwelzijn het eerste en belangrijkste principe van GL en PvdA moeten zijn? Het is slechts een beperkt onderdeel van een veel grotere wantoestand. Iedereen is tegen dierenleed, daar kun je politiek geen winst mee behalen. Dierenleed bestrijden is symptoombestrijding. Je moet de zaken fundamenteel, radicaal en in samenhang aanpakken. Met het dierenwelzijn komt het dan ook goed. De PvdD is mij te dogmatisch. Weg met de bio-industrie, dat is het, meer niet. Blijf toch lekker bij ons.

“Ik zou liever horen bij de mensen die makkelijk leven en overal schouderophalend aan voorbijgaan”. Ik denk dat ik je begrijp. Je bent inderdaad beter af als je rust in je leven kunt vinden. Maar voor mij betekent dat niet dat je overal schouderophalend aan voorbij gaat. Allerlei aspecten aan de samenleving zijn onrustbarend of onrechtvaardig, je hoeft daar je ogen niet voor te sluiten, maar het moet ook geen vat op je krijgen. Dat moet je niet toelaten. Dat moet je niet willen.

En ik begeef mij niet in discussies over de vrije wil. Dat wil ik niet.

Ondertussen vergeten C. en ik natuurlijk niet allerlei delen van ons land te bezoeken, om uit te zoeken wat ze daar allemaal uitspoken, en ook omdat het vakantie is. Wij waren al eens in Zutphen geweest, en omdat dat er aardig uitzag had C. bedacht dat we daar maar eens een vakantie moesten doorbrengen. Dus wij op weg, en in Arnhem een tussenstop gemaakt om te lunchen. Wij belandden in een lunchgelegenheid, met de pakkende naam “Broodje Tip Top”. Ik zweer je dat ik dit niet verzin, ga zelf maar kijken. De tent werd gerund door twee uitsmijters, althans zo zagen zij er uit. En wat ik dan zo prettig vind is dat als je een broodje zalm bestelt dat je dan precies dat krijgt: een broodje met zalm. En niet voorzien van slablaadjes, rucola, uienringen, augurken, olijven en sauzen, die de zalm aan het oog en aan de smaakpapillen onttrekken. Mensen doen zelden wat je vraagt. Toen ik digitaal ging afrekenen bij één van de uitsmijters zei hij tegen mij, nadat de mobiele apparaten hun werk hadden gedaan, met een olijke grijns op zijn hoofd: “Rien ne va plus, dit geld is niet meer van u”. Een beleefde uitsmijter, die maak je toch niet vaak mee.

Toen wij de reis wilden voortzetten, deelde de NS ons mee, dat er voorlopig geen treinen naar Zutphen gingen. Dat gaf ons de kans om een bezoek aan het gemeentemuseum Arnhem in te lassen, iets dat toch al op ons lijstje stond. Het museum is een aantal jaren geleden gerenoveerd, en ik moet zeggen: het is een mooi gebouw geworden met een fraaie tuin erachter. De meeste werken in het museum had ik al eens gezien.

Pyke Koch: Vrouwen in de straat

Later op de dag toch nog Zutphen bereikt, en intrek genomen in ons favoriete hotel, tegenover de Walburgiskerk. We hebben de stad nu eens grondig bekeken en het was voor mij een openbaring. Stadswandeling, fluisterboottocht, terrasjes, dineetjes, mooi weer, bibliotheek in een voormalige kerk, monumentale gebouwen en fraaie stadsgezichten.

In de fluisterboot

Als je toch in Zutphen bent, moet je natuurlijk ook museum More even bezoeken. Dat hebben we dus gedaan. Daar zagen wij een overzicht van het werk van Anya Janssen met de titel “Earthlings”. Dat ziet er ongeveer zo uit.

Werk van Anya Janssen

In de Walburgiskerk is in 1564 de Librije aangebracht, een soort bibliotheek, waar alle boeken aan de ketting liggen. Heel bijzonder wel, had ik nog nooit in het echt gezien. Alle boeken zijn dik en zwaar. Ook de eerste druk van het beroemde boek van Copernicus ligt daar, schijnt het. Een leuk kijkje in de zestiende eeuw.

Librije in de Walburgiskerk Zutphen

Wij zijn nog lang niet klaar met onze vakantie. Er komt nog meer.

Ook amateurs niet

Als je bent wat je eet, is mijn vriendin een negerzoen. Of hoe heten ze ook nog, allochtone zoenen mag je niet meer zeggen. Zoenen-met-een-migratieachtergrond dan. Dat kan voorlopig wel weer een poosje. Die zaten recentelijk in de bonus, derhalve kocht A. – alles voor de toekomst van dit land – vier dozen, maar toen we thuiskwamen hadden we er nog maar drie. Dus ik weer terug naar AH. Ja, waarom jij, zul je misschien denken, maar vraag je over dit soort wantoestanden maar niks meer af, die zijn historisch zo gegroeid. En die ene doos was er ook niet meer. Er zat wel een ‘storing in de bonussen’, zei de baliemedewerkster, maar die verklaring bevredigde haar net zo min als mij. We moeten het meer zoeken in het ekstergedrag van de winkelende Neandethaler. Dus toen heb ik nog maar twee van die dozen gekocht, want alleen de tweede kreeg je voor de halve prijs en de eerste was thuis, zodoende. Daarom hebben wij nou vijf dozen. Maar dat is wel fijn, want we krijgen visite die allebei heel dik is, dus die zal ook wel van zoenen houden, met of zonder achtergrond. Zelf begrijp ik niet wat men eraan vindt. Het is ronduit smerige troep.

Weet je wat ik daarnaast niet snap? Wij, jij en ik, krijgen gemiddeld na het publiceren van een blog een stuk of 15 bezoekers. Dat is mooi en goed, daar doen we het heus wel voor. Voor drie ook trouwens. Zelf doe ik het alleen al voor jou. Maar wat ik dan niet snap is dat, als wij al geruime tijd geen blog hebben geplaatst – want eten en drinken gaat nog wel, maar moe, moe – zoals op 17 mei jl., er dan ineens 57 bezoekers zijn geweest. Hoe kan dat? Wat gebeurt daar? Wat was er op 17 mei, een doodgewone, aan alle kanten blogloze, dinsdag? Heb jij enig idee? Storing in de bonussen?

En weet je wat ik als kind tot op vrij hoge leeftijd ook niet snapte? Hoe dat nou precies zat bij ons aan tafel. Of heb ik je dat al eens verteld? Ik begreep de verhoudingen niet, het hoe en het wat. Je accepteert als kind wel meer onduidelijkheid dan later, maar uiteindelijk, ik was een jaar of zeven, heb ik het mijn moeder toch gevraagd: ‘Hoe komen wij eigenlijk aan die jongens?’ Dat heeft ze me toen uitgelegd. Die waren niet van opa en opoe uit Groningen, ook niet van tante Matty en oom Lucas, ze waren van onszelf. Vond ik okay hoor. Je moet het alleen even weten, hè? Overigens kun je familiaire verhoudingen nog zo goed begrijpen, dat verandert er in principe weinig aan. Ik bleef die kleine klojo.
‘Jongens, nemen jullie je zusje ook mee naar Go Ahead?’
‘Ach nee, die kleine klojo, moet dat echt?’

Met mijn nieuwe filosofische vriend, die ook een eminente amateurvoetbalcarrière heeft gehad, heb ik nu een soort wapenstilstand bereikt, waarin hij uiteraard mijn gelijk erkent, maar zijn eigen illusies omtrent de vrije wil toch graag vast wil houden. Nou ja, zoiets mag, zolang men er niemand echt kwaad mee doet. Hij probeerde onlangs op mijn vraag of een terugspeelbal door de benen van je eigen keeper linea recta je eigen doel in ook ‘poorten’ mag heten, nog dit: ‘Wat mij betreft is dat géén poorten: poorten veronderstelt opzet bij degene die zijn tegenstander poort. Heeft de aanvaller die een verdediger poort een vrije wil? De verdediger op dat moment in elk geval niet.’ Dat zijn toch, zo tussen de regels door, insubordinatoire suggesties Fons, over aanvallers. Ik heb hem kort geantwoord: ‘Voetballers hebben géén vrije wil, ook niet bij de amateurs.’ Toegeven in dit soort kwesties is funest. Voor je het weet sleuren ze je mee het ravijn in van de eigen verantwoordelijkheid en andere shit.

Het congres van de Stuurgroep Cultuur En Waarom Daar Nog Steeds Niks Van Terechtkomt in ons Prachtige Dorp – die vraag van jou stond nog open – gaat vooralsnog gewoon over cultuur. Maar er wordt qua verbijzondering al wel in heel verschillende richtingen gedacht, waarover ik volgende week in de bestuursvergadering hoogoplopende onenigheid verwacht, zodat het congres vermoedelijk minimaal drie, maar vermoedelijk vier à vijf vrijwel onverenigbare subthema’s zal krijgen, maar wel met als hoofdthema dan Cultuur.

Van jouw bonbonsfoto ga ik mijn schermachtergrond maken, zulke bonbons wil ik elke dag wel zien. En wat staat C. er weer prachtig op bij de man opgebouwd uit suikerklontjes, ze is zelf een suikerklontje, je bent een geluksvogel dat jij dat elke dag live mag zien, gratis en voor niks. Mijn eigen partner ziet elke dag mij gratis en voor niks en stort zich bijgevolg op de chocozoenen. Chocozoenen! Zo heten ze!

Weet je wat ik zowel de PvdA als GL toch enigszins nadraag? Dat ze in al die principiële discussies over duurzaamheid, landbouw, veeteelt, natuur en milieu nooit als eerste en belangrijkste principe het dierenwelzijn in de strijd gooien. De bio-industrie vinden ze wel verwerpelijk, maar meer om de uitstoot van voor de mens uiteindelijk desastreuze hoeveelheden rotzooi en de voor de mens uiteindelijk desastreuze omweg van voedzame gewassen via de productie van vlees dan om het weerzinwekkende lot van ‘productiedieren’ – het woord alleen al – als varkens. Het bedrijfsmodel van die zo zwaar gesubsidieerde massaproductie-voor-de-hele-wereld wordt wel verworpen, maar niet op de eerste plaats vanwege het leed dat wij dieren daarmee aandoen. Moet ik dan toch naar de PvdD? Ach, fuseerde alles op links nou maar met elkaar, dan had ook ik eindelijk eens rust…

Over rust gesproken: wist je dat ik allang vóór iemand ooit op het idee kwam er een discussie over te beginnen moeite had met Zwarte Piet? Niet toen ik er, toegegeven tot op vrij hoge leeftijd, nog in geloofde, toen vond ik het nog een toffe peer, maar wel al op de middelbare-schoolleeftijd. Ik voelde aan mijn nationale waterhuishouding dat het ging om een bedenkelijk soort karikatuur van een neger, toen je nog neger mocht zeggen. Nu heet zo iemand choco. En ik vond het heel irritant dat ik er zo over dacht, want ik zou destijds, en eigenlijk nu nog steeds, liever horen bij de mensen die makkelijk leven en overal schouderophalend aan voorbijgaan. Die hebben gewoon meer rust, zulke mensen.