Brigadier Snuf ziet het licht… of niet?

Mijn ene vriendin, die van de twin peaks, was liever prenataal gebleven en nog liever preconceptueel. Ze vindt haar depressies en eigenlijk het hele leven bijna niet te doen. Maar preconceptueel blijven, zo hield ik haar voor, dat krijgen we niet meer voor elkaar, tenzij de tijd zich omdraait in zijn graf. Alleen dan valt er misschien preventief nog wat in te grijpen. Maar makkelijk wordt het niet. Dus heeft ze besloten toch maar gewoon T.S. Eliot te blijven lezen, haar favoriete dichter (‘In my beginning is my end.’).

Intussen lees ik de autobiografie van Jeremy Denk. Dik, dikker, dikst. 500 Bladzijden vol frappante détails over componisten, hun symfonieën, pianoconcerten, sonates, préludes, cantates, mazurka’s en zo voort, impromptu’s. En al die détails wil ik dan verifiëren, of in ieder geval begrijpen. Dat betekent één bladzij lezen en vervolgens anderhalf uur zoeken op Internet en luisteren of het waar is wat hij zegt over opus 488 van Mozart of maat 5 in de eerste prélude van Bachs Wohltemperierte Klavier, je weet wel, waar Gounod zijn Avé Maria op losliet. Het is allemaal waar en ik begrijp ineens waarom sommige passages in bepaalde stukken me altijd zo ontroerden. Het blijkt die ene dissonant gevolgd door dat bijna bevrijdende septiemakkoord en ingelost in een simpel C-groot. Je moet er maar opkomen! Ik hoor van mezelf niet eens in welke toonsoort iets geschreven is. Dus ik zal de rest van mijn leven nodig hebben voor het verwerken van dit prachtige boek. Als ik het überhaupt red. Of, om nog eens met T.S. Eliot te spreken: ‘Hell is oneself’. Of, om ook nog eens met J.P. Sartre te spreken: ‘l’enfer c’est les autres’. We hoeven niet te kiezen, allebei klopt en is zo waar als een koe.

Ooit, tijdens mijn studietijd, had ik kort verkering met een aantrekkkelijke jongen om te zien, type Jonathan Franzen of Godfried Bomans. Hij had conservatorium gedaan en speelde grandioos – dat was in die jaren het modewoord voor vet gaaf, awesome of episch – piano. Gevat was hij ook, sprankelend zelfs, hij paste naadloos in het plaatje van de man die ik mijn broer altijd al als zwager cadeau wilde doen. Ik schreef naar Zambia: ‘Han, ik heb een ideale zwager voor je: hij houdt van kaarten, is ad rem, belezen en muzikaal, wacht ik sluit een foto bij’. Zo gezegd, zo gedaan, maar toen bleek koud twee weken later de potentiële zwager van mijn broer VVD’er te zijn en maakte ik het uit. Ja, je kunt toch niet je hele leven verdoen met een VVV’der? Dat is toch een te wezenlijke persoonlijkheidsstoornis? Ik heb het mijn broer niet eens meer voorgelegd, want die had waarschijnlijk gezegd: ‘Als hij klaverjast: aanhouden!’ En dan zat ik ermee.

Mijn opa, de smid van zijn dorp, vredestichter bij uitstek, de man van de wijze raad, bij wie iedereen aanklopte ingeval van conflicten, geldzorgen of andere problemen, was vermoedelijk ook VVD’er. Wat wil je, een middenstander, dan mag het. Maar een pianoleraar? Dat is toch nergens voor nodig? Ik weiger zoiets te begrijpen.

En wat ik ook niet begrijp: wat heeft Corona met de Jehova’s gedaan? Nu het virus volledig is geaccepteerd, kunnen die toch ook wel weer aan de deur komen? Niet één meer gezien, ik mis ze.

Wel belden gisteren, 14 november jl., twee agentes van politie aan. Ze waren donkerblauw gekleed, maar zo te zien niet echt in uniform. Degene die het woord deed, klapte meteen geroutineerd haar ID-kaart uit. De ander ging als brigadier Snuf ijverig, met haar bebrilde neus zo ongeveer in haar mobieltje, notities staan maken. Maar hoe moet ik nou zien of zo’n legitimatiebewijs echt is? Wat zou jij doen in zo’n geval? De vraag was of wij een camera aan het huis hadden. Want er was op 8 november jl. een misdaad gepleegd in onze wijk. Nee, wat voor misdaad en waar precies, daarover mochten ze niks zeggen. De woordvoerster wees op ons alarmlampje in de hoek tussen garage en voordeur. Zo’n lampje, je kent het wel, dat aangaat als een stalker zijn lettres d’amour ’s nachts te ver door de brievenbus de gang in mikt, waarna een hels kabaal uitbreekt en wij in onze onderbroek naar de wapens grijpen. Was dat een camera? ‘Ja’ zei ik, want ik wist zo gauw niet meer hoe je nee zegt. ‘Maar hij doet niks’ voegde ik er wel aan toe. ‘Ach’ antwoordde zij begripvol, ‘een dummy dus.’ Brigadier Snuf keek even fronsend op uit haar mobiel, maar zakte er ook meteen weer in terug, waarschijnlijk om ‘een dummy’ te noteren. En nou vraag ik me af Fons, of een agent van politie niet meteen ziet dat zoiets geen camera maar een lampje is! Dus nou twijfel ik of het niet gewoon twee criminelen waren, die de buurt op camera’s verkenden. En of wij dus binnenkort een inval kunnen verwachten. De officiële reden voor het onderzoek luidde, dat ze wilden checken of de misdadigers ergens op camera stonden. Dat klonk op zich wel goed, vond ik. Toch heb ik voor de zekerheid ook maar een melding van e.e.a. gemaakt via de website van de plaatselijke politie. Want ik vind teveel mensen, eigenlijk iedereen, altijd aardig, dat blijft een aandachtspunt, vindt mijn vriendin. Ze heeft gelijk. Telkens opnieuw trap ik in de val. Zo dom. De hel, het zijn echt de anderen plus ikzelf.

Niettemin vond ik het al met al een geslaagde middag.
Nou maar hopen dat ook de Jehova’s gauw weer komen.

Stralen of bestraald worden

Wel gefeliciteerd Fons met je bestuurslidmaatschap van Groen Links Voorschoten en ook met het Progressief Akkoord dat er is gesloten over leuke dingen voor de mensen in het dorp. Auto’s op het plein zijn inderdaad een affront voor het gemoed, er hoort in het midden een degelijke, ouderwetse pomp te staan. Bij ons is die verplaatsbaar. Als je boven zijn putje zwengelt komt er echt water uit de pomp, maar als er markt is, wordt hij in zijn geheel naar de rand van het plein verplaatst. Alles is mogelijk in dit prachtige dorp. Hebben jullie überhaupt wel een pomp? Anders is een overdekte muziekkoepel ook mooi en goed hoor, doen jullie maar zoals het jullie het best lijkt.

Onze pomp. Op zon- en feestdagen gaat zijn tuitje omhoog.

Afgezien van dat tuitje gebeurt hier weinig. Er is uiteraard een hoop gedoe in het culturele circuit, maar waar niet? Er zijn ontieglijk veel besturen in ons circuit. Ik ken zelf dan ook weinig tot geen dorpelingen die niet in een bestuur zitten. Of vlak eronder, in een themagroep, ook heel belangrijk. De secretaris van één zo’n bestuur nu toonde zich onlangs uitermate geschoffeerd door een vrouw uit een ander bestuur, die hem kennelijk met iets had ontriefd. Ik had deze secretaris al eens eerder tijdens een cultureel verantwoorde – ik kom zelf uitsluitend naar cultureel verantwoorde evenementen en de kermis, want daar willen de verpleeghuisrolstoelers standaard ieder jaar naartoe, regen en wind geen bezwaar, wij zijn niet van suiker mens, kom duw eens wat dóór – filmavond bij de entree van deze vrouw nogal luid horen verzuchten ‘oh, dat creatuur, affreus, alleen al hoe ze daar weer binnen komt stevenen!’ En vervolgens, wat zachter achter zijn hand tegen mij: ‘Ik ben tánkcommandant geweest, maar deze vrouw… ach, woorden schieten mij tekort!’ Ik begreep hem wel. Hij is ongeveer de liefste oudere van dagen die ik ken, maar ook wel gedeeltelijk opgetrokken uit een voor zijn generatie nog gangbare mengeling van minachting en vrees voor voortvarende vrouwen in het publieke domein. Dat zijn gewoon lastige dingen voor een tankcommandant.

Verder hebben wij net als jullie natuurlijk vrienden, familie en kennissen die akelige ziektes krijgen. En daar zit evenmin iemand bij die zoiets ‘verdiend’ heeft. Maar het meest confronterend vind ik toch altijd weer de dementerende bejaarden die ik elke week in dat tehuis tegenkom. Die klampen zich aan je vast, om met wanhopige blik en betraand gezicht te vragen waarom zij zo gestraft worden, waaraan ze dit verdiend hebben, of jij niet wat kunt doen om ze uit deze gevangenis te bevrijden. Nee, dat kun je niet. ‘Alstublieft, alstublieft, helpt u mij toch!’ Ja, maar hoe?

Ik heb dan minder moeite met degenen die bij mijn binnenkomst reeds beginnen te roepen dat ik een godvergeten klootzak ben, een halve gare zool, sodemieter toch op met die schijnheilige kliek van je, die gore gestapobende… hoer! Dit zijn uitingen binnen een goed doordachte variant op de hedendaagse complotbubbelagressie en als zodanig inschikkelijk tegemoet te treden. ‘Daar hebt u wel een punt meneer Gubbels, ik kan u eigenlijk alleen maar gelijk geven, het is één grote gestoorde zooi hier, maar gaat u nou even aan de kant alstublieft, ik moet naar huiskamer 2.’ En dan kan het gebeuren dat zo iemand zomaar verandert in een galante heer, die met een grijns op zijn gezicht opzij stapt, terwijl hij zachtjes maar met instemming zijn nieuwe mantra ‘grote gestoorde zóói’ herhaalt.

Mijn ene vriendin – uitbestraald en wel – is intussen gelukkiger dan ooit, omdat ze twee jaar terug een man heeft leren kennen met wie ze honderd hoopt te worden. Het stralen doet ze sindsdien zelf, net als hij. Van de week zaten ze op een terrasje in Zutphen met thee en gebak, toen er een mevrouw naar hen toekwam die vroeg of ze met hun eigen toestel een foto van ze mocht maken, want ze had nog nooit twee mensen zo blij met elkaar zien zijn. En nou denk je ‘Die ging er dus met hun mobieltje vandoor’, maar dat was niet zo, en gisteren liet die vriendin het resultaat zien. Zelfs die foto straalt. Bovendien lijken ze uiterlijk op elkaar, net broer en zus. En nog meer bovendien: hij is vijf jaar jonger dan zij. Dat is één van zijn vele mooie eigenschappen, intelligent, bescheiden, muzikaal, geestig en aantrekkelijk om te zien. Knappe mannen van 65 op zoek naar een vrouw verlangen er meestal één die toch wat jonger is, bij voorkeur een jaar of 30. Hem interesseert haar leeftijd niet in het minst. ‘Ach’ zeggen ze allebei, ‘Hadden wij elkaar maar vijftig jaar eerder ontmoet!’

Wat ik ook zo prettig aan ze vind, maar dit echt terzijde, is dat ze wel op vakantie gaan, maar niet teneinde een rollercoaster aan ervaringen op te doen, nieuwe herinneringen te maken of om de haverklap what the fuck te roepen. Van dat modieus hersenloze taalgebruik krijg ik zappend langs de zenders telkens weer schimmel en blaasjes rond de neusvleugels. Van mijn partner mag ik daarom niet meer zappen, alleen nog Gardeners World kijken. Ze heeft inderdaad zelf geen last van schimmel of blaasjes, maar bijvoorbeeld wel van brandend maagzuur door al die chocola, die kennelijk nodig is om Garderners World uit te zitten.

De andere vriendin ondergaat op haar beurt momenteel haar 15 bestralingen en wel bewonderenswaardig opgewekt, vooral gezien haar verleden van periodiek terugkerende hevige en langdurige depressies. Ik hoop met heel mijn hart dat ze daar nu niet nog eens in terechtkomt. Fietsend door verlaten dreven het uitschreeuwen van ellende, hele dagen in de kelder van haar appartement op de grond zitten, ogen dicht, hoofd tussen de knieën, je hebt er vaak nauwelijks een idee van hoe anderen, aan wie je zo op het oog niets ziet, eraan toe kunnen zijn. En dan ook nog die energiekosten in het vooruitzicht. Maar voorlopig krijgen ze haar niet klein. Ze heeft het douchen al teruggebracht tot eens in zoveel tijd: ‘Anders wordt het ook zo’n sleur’.

Sleur staat in een kwaad daglicht. Waarom is mij niet helemaal duidelijk. Zelf floreer ik er nogal bij – 10.000 stappen op een dag, 2,5 uur krant lezen, 3 kwartier pianospelen – het kan mij eigenlijk niet sleurig genoeg zijn. Maar dat bazuin ik maar niet rond. De mensen zien het zo ook wel.

In de politiek

Ik meen mij vaag te herinneren dat ik spoedig weer eens een blog zou schrijven, maar volgens mij is het toch weer blijven liggen. Nu eindelijk tijd. De afgelopen weken druk doende geweest met het Progressieve Akkoord van Voorschoten. We hebben nu een rechtse coalitie in het dorp (CDA, VVD en Lokaal) en die hebben een coalitieakkoord gepresenteerd dat de ondernemers op het lijf is geschreven; alle andere onderwerpen waren consequent in het vage gehouden. Dat heeft de vier progressieve partijen (D66, SP, PvdA en GroenLinks) bewogen om een progressief akkoord af te spreken met allemaal leuke dingen voor de mensen in ons dorp.

Zo hebben wij een dorpsplein dat grotendeels in beslag wordt genomen door parkeerplaatsen. Het is dus eigenlijk helemaal geen dorpsplein. En dat willen wij er van gaan maken, met terrasjes, cafeetjes en in het midden een overdekt muziekpodiumpje.

De vier fractieleiders hebben hebben de inhoudelijke punten met elkaar vastgelegd, maar vervolgens kreeg ik de opdracht om er een fraaie vorm aan te geven. Dus ik heb foto’s in het dorp gemaakt, die passen bij de progressieve onderwerpen, en vervolgens een layout gephotoshopt waar binnenkort een handzaam blaadje in A5-formaat van kan worden gemaakt. Het resultaat is nu rondgestuurd en totnutoe heb ik alleen maar positieve reacties gehad. Ik ben nu een tevreden mens.

En ik word nu ook lid van het GroenLinks-bestuur in ons dorp. Dat heeft verder niets met het voorgaande te maken, dat is van de zomer al bedisseld tussen mij en de voorzitter. In november moet de algemene ledenvergadering dit nog goedkeuren, maar iedereen ziet mij nu al als bestuurslid. Gaat vanzelf goed. Wat ik precies moet besturen weet ik nog niet. Ik ga binnenkort naar de vergadering en dan heb ik daarna weer iets te doen, denk ik.

Vorige week mijn vierde coronaprik gehaald, al ben ik nu veel minder doordrongen van de noodzaak. De overheid heeft mij ingedeeld bij een kwetsbare groep, dus dan ga ik maar weer. Maar ik ben nooit ziek, althans de laatste drie jaar niet meer. Volgens mij is afstand houden het beste wat je kunt doen. Je maakt af en toe mensen in je omgeving mee die er lustig op los niesen en hoesten, met veel lawaai ook, zonder ook maar enigszins met anderen rekening te houden. Daar blijf ik dan maar uit de buurt.

Over kwetsbare groep gesproken: sommige van mijn vrienden hebben ongevraagd iets opgelopen, wat ze niet verdiend hebben. De een heeft nu een zeldzame huidziekte die moeilijk te behandelen is, en een ander maakt te weinig witte bloedlichaampjes aan, wat tot algeheel onwelzijn leidt. Ik prijs me gelukkig dat ik nog geen ernstige kwalen heb, maar dat kan nog komen natuurlijk. Ik heb ooit eens een volledige medische keuring ondergaan bij de bedrijfsarts. Toen hij mij de uitslag kwam vertellen, zei hij: “Je bent kerngezond, maar dat zegt eigenlijk niks, je kunt morgen wel dood neervallen”. Ik heb deze bemoedigende woorden onthouden, omdat ze mij blijvend herinneren aan de betrekkelijkheid van het leven.

Driemaal scheepsrecht

Ja Fons, daar ben ik weer, hoor je mij? Je ziet in Amsterdam soms, of vrij vaak eigenlijk, Amerikaanse toeristen rondlopen die zo hard tegen elkaar schreeuwen dat ze zelfs de kleuren van hun als casual bedoelde outfit overstemmen. Je ziet niet meer wat ze dragen, je ziet alleen nog hun geschreeuw. Waarom praten die mensen zo luid, ook al komen ze gewoon uit de binnenlanden van Oklahoma? Als je aan zee woont, ja, dan ga je misschien door al die letters verwaaiende wind wat duidelijker articuleren dan iemand uit Brattleboro Massachusets, maar Amerikanen schreeuwen altijd allemaal overal. Ook de democraten. Alleen Biden misschien niet, maar dat is meer omdat hij eigenlijk al dood is, iemand moet het hem alleen nog even zeggen. Heel zacht…

Hoe het ook zij, ik liep zonet achter een bejaard echtpaar ons goede dorp in en genoot van hun zachte dialoog, waar ik dus – dat is dan weer een minpuntje – niks van verstond. Maar ze zagen er prachtig uit, ze hadden zich echt gekleed op een weldoordacht bezoek aan de Lidl: hij een geel T-shirt met korte mouw boven een zwarte broek tot net boven de knie en daaronder zwarte schoenen zonder sokken, zij een rood T-shirt met korte mouw boven een gebroken witte broek tot net boven de knie en daaronder rode schoenen zonder sokken. Het geheel bij beiden fraai bekroond door een prachtige witgrijze haardos. Maar toen sloeg de man ineens rechtsaf, hield de vrouw halt en zei ik in het passeren tegen haar: ‘Wat jammer nou, jullie waren zo’n gaaf plaatje, geel, zwart, rood en gebroken wit, zo’n mooi geheel zomaar uiteengescheurd, eeuwig zonde’. Waarop zij, van de voorkant zo mogelijk nóg mooier, antwoordde:
‘Nee, nee, oh nee, maakt u zich geen zorgen, hij wil alleen maar even een brief posten.’
‘Oh gelukkig… maar je ziet ze daarna nooit meer terug, hoor je soms.’
‘Mijn Kees wel hoor, hij krijgt krieltjes met kibbeling vanavond.’

Ik wou dat ik een foto van ze genomen had, van achteren, dat mag wel toch? Verder dient dit verslag alleen om te verbloemen dat ik eigenlijk niet meer weet waarmee ik te druk was om fatsoenlijk jouw vakantieblogs de hemel in te prijzen. Goeie bloggen Fons! Zo geniet de thuisblijver echt volop mee. Perfecte foto’s ook, dank daarvoor.

Wat ik me nog wel herinner is dat twee vriendinnen ongeveer gelijktijdig het bericht kregen dat ze borstkanker hadden. De ene is intussen geopereerd en herstellende, de andere is binnenkort aan de beurt. Deze tweede moet helaas één van wat zij haar twin peaks noemt – bij mij hanging rocks geheten – missen, maar beide vrouwen gedragen zich uitermate stoer, ik mag lijden dat ik het indien nodig ook zo aanpak. Maar ik vrees het ergste, want zie al op tegen een simpele corticosteroïdeninjectie in mijn heup. Laat God verhoeden dat er ergere dingen met mij gebeuren. Dood bijvoorbeeld wil ik absoluut niet. Moge Hij daar goed nota van nemen. Maar waarmee ik dan in vredesnaam zo druk was? Nou, ik noem slechts één ding, als symptomatisch voor alles waar men mij bij wenst te betrekken. Vriendin 1 wilde graag dat ik haar uit het ziekenhuis ophaalde na de operatie en ook vond ze het prettig als ik een evaluatiegesprek met de chirurg wilde notuleren. Die dingen gingen trouwens best nog van een leien dakje, als je mijn eeuwige foutparkeren op de koop toeneemt en ook oogluikend tolereert dat ik zo’n rolstoel bij de ingang van het ziekenhuis zelfs met maximale inzet van al mijn krachten niet uit de greep van de andere rolstoelen weet te bevrijden. Hoe moet zoiets als er in de toekomst geen receptionistes meer zijn om, hun buikje gierend van de lach vasthoudend, in te grijpen? Alleen nog luidsprekers van waaruit je met hanging rocks en al wordt gesommeerd dit pand onmiddellijk te verlaten, maakt niet uit waarheen. Symptomatisch echter wordt het pas met de bestralingen. Daar ziet de patiënt terecht tegenop, zeker zo’n eerste keer, dus dan ga je begeleidend optreden. In mijn geval betekent dat, als mijn slaaphoofd geen auto toestaat, de fiets pakken, een uur rijden heen, een uur rijden terug en daartussenin begeleidend naar het ziekenhuis lopen, in een wachthokje de bestraling uitzitten (zie foto hieronder) en dan weer terug. Die eerste keer dacht ik tenminste dat het zo zou gaan, maar aangekomen bij de patiënt bleek ik mij vergist te hebben in de dag. Dus na een uur of drie was ik onverrichterzake weer thuis, waar ik het al vooruit echoënde commentaar ‘Jij let ook nooit goed op, jij doet altijd maar wat!’ gelaten in ontvangst nam. De tweede poging verliep minder stroef. Zelfde procédé, maar nu bevond ik mij, na anderhalf uur, metterdaad begeleidend door het park op weg naar het ziekenhuis, toen we gebeld werden.
‘Ja, hier met het ziekenhuis, u bent naar ons op weg?’
‘Ja, we zijn halverwege het Goffertpark.’
‘Oh, maar u moet naar het Radboud.’
‘Welnee, wij zijn op weg naar het Canisius, dat was de afspraak.’
‘Nee, de afspraak was: de eerste keer bestralen in het Radboud.’
‘Daar is ons niets van bekend, wat nu?’
‘Het geeft eigenlijk niet.’
‘Oh, gelukkig, kunnen we gewoon doorlopen dan?’
‘Zeker, maar de bestraling kan helaas niet plaatsvinden.’
‘Niet? Hoezo niet? Krijg nou wat.’
‘Ja, heel vervelend, de apparatuur is kapot.’
‘… ‘
‘Bent u daar nog?
‘Ja… dit is echt een enorme tegenvaller.’
‘Het spijt ons ook erg… maar wel fijn toch dat u de volgende keer rechtstreeks naar het juiste ziekenhuis loopt?’

Affijn, mijn vriendin gooide haar mobiel in een rozenstruik, ik kon niet meer voor- of achteruit omdat het door de omstandigheden in mijn heup was geschoten, we zegen neer op een bankje in het park en uiteindelijk was ik die dag om een uur of zeven ’s avonds weer thuis. ‘Ja, ik dacht al, wat zal er nu weer misgaan!’ De dag daarop probeerden we het nog een keer – driemaal scheepsrecht – en toen liepen we a. naar het goede ziekenhuis, waar b. de apparatuur het intussen ook weer deed.

Zulke dingen, daar kun je echt druk mee zijn. De patiënt troost mij wel goed hoor bij alles, die andere trouwens ook, terwijl ik die nog helemaal moet! Maar ik ben al met al toch blij dat jullie zolang de honneurs in Zwolle, Arnhem, Amsterdam, Zutphen, Meppel, Elburg en Dwingelo hebben waargenomen, want dat had ik er echt niet meer bij kunnen hebben.

Verder gaat het hier uitstekend. Op enkele kleinigheden na, zoals dat de boiler lekt als een gek en we al dagen geen warm water meer hebben. Dat komt overigens heel goed uit om alvast geleidelijk te wennen aan het spartaanse soort winter dat eraan zit te komen. Wat mij, mede door jullie avontuur in Elburg, herinnert aan de winter van 1343!

Dit betreft namelijk een stukje tekst, oorspronkelijk in de veertiende eeuw met een stilo in een wasbord gegrift, later op een roestvrij stalen bordje gedrukt en op de schroten boven het water in de haven geschroefd en ook verder goed vergelijkbaar met de beroemde steen van Rosetta. Het gaat hier om een deel van een dankbetuiging van de priesters van Elburg en omgeving aan Diederik van Roozemonde III, een Gelrese Hertog en Heer van het toenmalige nabijgelegen Swemmel, die de Elburgers, om de ook destijds barre winters door te komen, van een flinke partij oerbonen voorzag, buitgemaakt in oktober 1343 op die van Swammelredam, nabij het huidige Purmerend. De strijd voltrok zich gedeeltelijk over het water (het Swemmelsche Gat), waarbij, na twee mislukte pogingen, het moederschip vol oerbonen van de Swammelredamschen geënterd, beroofd en tot zinken gebracht werd. Driemaal ook toen al scheepsrecht. Bij deze strijd – bekend als de Swemmelswammelredamsche Twisten – kwamen in totaal aan de ene kant 288 en aan de andere 307 manschappen door verdrinking om het leven. Maar die van Swemmel hadden hun bonen! De volledige herdenkingstekst in het oorspronkelijke wasbord luidde: ‘De slag om de Oerbonen te Swemmel – 1343’.

Je kunt het C. niet kwalijk nemen dat ze zo’n typisch regionaal erfgoedhistorisch interessant voorval niet meteen thuis kon brengen. Het hoort in Elburg en daar moet het blijven!

Vakantieblog deel 3

Laat ik beginnen met wat ik in vakantieblog 2 nog was vergeten: ons bezoek aan een hunebed. Ik herinner mij dat ik in een vorige vakantie in Drenthe naar hunebedden heb gezocht, maar niet gevonden Deze keer heb ik er niet naar gezocht, niet eens aan gedacht, maar wel gevonden. Ze stonden gewoon vlak naast het fietspad. Uiteraard stond er een schoolreisje naast, met een juf om uitleg te geven. Mij is indertijd verteld, dat de toenmalige inwoners van Dwingeloo daar hun doden in legden. Een hunebed heeft voor mij sindsdien altijd iets sinisters gehad. Maar toen ik dat ding daar zo zag staan, in de felle zon, had het niets geheimzinnigs of spookachtigs meer. Het zag er eerder uit als een hoop losse stenen die dringend eens opgeruimd moesten worden.

Hunebed

En toen nog naar Meppel, gewoon omdat we daar nog nooit geweest waren. Typisch Hollands plaatsje. Twee molens, een gracht met boten, een kerk. Wat moet je er verder nog van zeggen. Dertien in een dozijn.

Bruisend Meppel

Ons derde verblijf, waar deze blog eigenlijk over gaat, was door C. georganiseerd om haar verjaardag te vieren. En ik mocht mee. Op de eerste dag maakten wij een zwerftocht door Zwolle, omdat we het nu eens goed wilden bekijken. Prachtig stadje. Veel historisch stedenschoon en monumentale panden.

Van Nahuysfontein en Sassenpoort, Zwolle

En ook nog even naar de Fundatie natuurlijk, als je toch in Zwolle bent. Er was een expositie van werk van Marte Röling. Dat bleek een afknapper. Eén zaal met enkele minder geslaagde werken. Mocht je met de gedachte spelen die expositie te bezoeken: niet doen. Ga een goed boek lezen of zo.

En toen het hoogtepunt van deze driedaagse reis: een bezoek aan Elburg. Het is een oude hanzestad (net als Zwolle) en het ligt aan de kust van wat vroeger de Zuiderzee was. Het is goed bewaard gebleven, alles zier er oud uit.

Elburg
De Vischpoort, Elburg

Zo’n oud stadje heeft uiteraard een museum. Opdat we niet vergeten hoe alles vroeger was.

Ouwe meuk in Elburg

Goede raad is helemaal niet duur, niet in Elburg. Het emmertje was leeg toen wij arriveerden, maar ach, echte problemen hadden we ook niet.

Goede raad in Elburg

C. had af en toe moeite met het Elburgse dialect, wat natuurlijk heel begrijpelijk is. Aan de kade bij de haven hing een bordje met opschrift. “Wat staat daar?” vroeg zij. Ik legde het geduldig uit. “O nee hè” riep zij uit. En toen: “Je gaat dit toch niet verder vertellen hè?” Ik: “Natuurlijk niet , lieverd”. Over bloggen had ze het niet . . .

erbo en te wemme

Deze keer niet zo veel tekst Linie, dus de gaten maar opgevuld met foto’s. Nog eentje om het af te leren.