Zie ik ze vliegen?

Omdat ik het een vervelend idee zou vinden als niet iedereen ervan op de hoogte is of zou kunnen zijn, geef ik hieronder al mijn slepende kwalen weer, in een strak en handzaam schema, verdeeld in twee categorieën: tijdelijk en chronisch.

Tijdelijk:

  1. Sinds een week of drie plaagt mij een niet aflatende, stekende pijn boven in mijn linkerarm, op dezelfde plek waar A. de hare heeft gebroken. Sterker nog, ik heb in die van mij een spier verrekt bij het strijken van de linkermouw van één van haar overhemden. Wij kunnen nu geen van beiden onze linkerarm nog goed optillen. Nou moet je dat ook helemaal niet willen, dus daar gaat het niet om. Maar wat is dit voor fenomeen? A. zoekt de verklaring in de morfogenetische velden van Rupert Sheldrake – die beweerde dat ook dieren op die manier, geholpen door een mysterieus veld, dingen van elkaar overnemen – maar dat is mij te fantasierijk. Ik ben daar nuchterder in. Volgens mij is het gewoon een kwestie van stigmata. Als je heel erg met Jezus in de weer bent, krijg je gaten in je handen. Toch? Nou, dit is ongeveer precies net zoiets. Of anders is het toeval, want ik heb ook best pijn op andere plekken in mijn lijf en dat is dan simpelweg pijn, zonder enig diepzinnig verband. Meestal is de oorzaak zelfs zo klaar als een klontje.
  2. Zo heb ik vorige week mijn onderste rib links gebroken. Dat zijn van die kleine, leuke ribjes, je kent ze wel. Ze mogen meer dan de rest en hangen daar dan ook zo’n beetje flierefluitend onder. Maar soms zijn ze toch ineens zwaar de sjaak. Wat wil het geval? Er moesten aardappels de grond in. Van mij hoefde dat niet, van mij konden ze stuk voor stuk de rambam krijgen, maar het moest van A. Ik zei nog ‘Willem zegt dat het pas in april hoeft’, maar ze was onverbiddelijk. Nou heb je daar natuurlijk ordinaire schepjes voor, maar ook zijn er geavanceerde aardappelpootapparaten. Ik kan ze zo gauw niet vinden op internet, dus ik weet niet hoe ze heten, maar wij hadden er één op de kop getikt uit een andere moestuin. Wij wisten niet zeker of daar zo’n ding lag, maar A. voelde morfogenetisch aan van wel. Aardappelpriem-met-steel heet het misschien. Het is hoe dan ook net zoiets als een bats. Een bats is een schop waarmee je aarde omspit. De aardappelpriem ziet er anders uit, maar het bovenstuk, de steel met de handgreep overdwars, is hetzelfde als bij een bats. Het metalen onderstuk daarentegen is een soort cirkelvormige, taps toelopende schep, die je verticaal en met kracht de grond in moet duwen. Heel anders dus dan je bij het omspitten met een bats doet. In het aanpalende perceel deed Willem het mij voor. ‘Kijk, je zet je handen op de greep en dan duw je met je bovenlichaam zo, zie je?’ Ik zag het. De priem gleed gladjes de grond in en kwam er weer uit met de aarde in de schep, zodat je een mooi gat had om iets in te doen, als daar zijn een aardappel. Ik pakte de priem weer over van Willem, omklemde het dwarsstuk bovenop de steel met mijn handen, onder mijn ribben, en liet mij er toen met mijn volle gewicht op vallen. Ik verwachtte net zo lekker door te stoten als Willem, maar ik voelde knàk. De aarde in onze tuin bleek geen gewone aarde zoals bij Willem. Nee, onder de bovenlaag bij ons zat allemaal stro, van paardenmest, daar ooit in een smerige bui door A. zelf uitgestrooid. En stro wijkt geen strobreed. Daarom heet het stro. Anders zou het wel boter, kwark of chipolata heten. Of veer, als het op z’n minst een beetje mee zou veren. Stro veert zelfs geen millimeter mee. Ik weet dan ook niet wat zeerder deed, mijn linker bovenarm of mijn linker onderrib. Geluk bij een ongeluk is wel dat een gebroken rib vreemd genoeg altijd minder pijn doet dan een gekneusde rib. Dus die winst tel ik heus wel uit, maar ik voel het toch best, bij iedere beweging eigenlijk. Ademen met een gebroken rib: niet leuk. Hoesten met een gebroken rib: laat maar liever. Naar de dokter met een gebroken rib: heeft geen zin. Die doet daar toch niks aan. Die zegt het moet vanzelf weer helen.
  3. Nu mijn rechtervoet. Die heeft hielspoor. Dat is een verkalking van de pees naar het hielbeen, die pijnlijke ontstekingen onder de hiel veroorzaakt. Je komt er zomaar aan en bijna niet meer vanaf. Volgende week vieren we zijn eerste verjaardag, met een drankje en een hapje.
  4. Links van het rechter schouderblad is ook iets enigszins geblesseerd, tijdens het therapeutisch balgooien met A. Ik weet niet precies wat, wellicht betreft het slechts een knikje in de zwezerik, maar het kon er nog wel bij.
  5. Tot slot van de tijdelijke dingen ben ik momenteel snippend verkouden, tegen een griep aan. ’s Nachts koorts, overdag enigszins verhoging. Zoals de Achterhoeker zegt: Ett’n en drink’n geet nog wal, moar meu, meu…

Chronisch

  1. Mouches volantes. Dat zijn kleine, zwarte vliegjes, waar je geen zalf op kunt doen. Ze flieberen volcontinue door het beeld. De fase waarin ik ze uit het zicht wilde meppen ligt al meer dan tien jaar terug. Ik bekijk ze nu als een soort statushouders, van wie ik hoop dat ze ooit nog eens fatsoenlijk werk vinden. Desnoods breng en haal ik ze, ze kunnen zelfs een broodtrommeltje meekrijgen, maar in vredesnaam: ga uit mijn ogen!
  2. Beginnende staar in één oog, sinds een jaar of vijf. Never a dull moment, vooral in combinatie met de mouches volantes, want de staar maakt dat je die dubbel ziet.
  3. Wispelturige bloeddruk, die zich nergens wat van aantrekt. In ieder geval niks van hoe ik erover denk. Wij hebben zelf een bloeddrukmeter, waarom weet ik niet. Maar bij De Wereld Draait Door springt hij verzenuwd op 170 over 85, terwijl hij bij Podium Witteman als een lekke band terug flubbert naar 110 over 50. Hooguit. Vaker is het 100 over 40 en dan verlies ik, bijvoorbeeld bij Koken met Van Boven, het bewustzijn even. Fijn wel, bewustzijn is helemaal zo’n pretje niet. Dan zul je het wel niet lang meer maken, hoor ik je nu zeggen, maar daar kun je je op verkijken. Sommige mensen hebben zo’n lage bloeddruk, dat hij niet eens te meten is. Ook als ze nog leven, bedoel ik.
  4. Arthrose in beide handen, leidend tot opmerkelijke noviteiten in mijn pianospel en vroeg of laat, meestal vrij vroeg, de wens bij toehoorders hen uit hun lijden te verlossen.
  5. Hartritmestoornissen, van extra systolen tot vibrerende drumsoli. Mijn vader had het aan zijn hart. Mijn moeder en mijn oudste broer ondergingen zelfs een open-hartoperatie, waarna zij aan het sukkelen sloegen met de ene cardioversie na de andere ablatie. Al die dingen kon men vroeger nog niet, dus mijn opa overleed  netjes aan de eerste de beste hartaanval. Dat heeft ook mijn voorkeur, als het maar snel mag gaan. Ooit, ergens in de jaren zestig, las ik bij Céline – misschien in Reis naar het Einde van de Nacht – over iemand die zich urenlang over de vloer voortsleept voor hij aan zijn aanval bezwijkt. De beelden die zich bij die passage opdrongen, komen me nu nog steeds moeiteloos en plastisch voor de geest. Dat maakt hem zo’n groot schrijver. Rabiaat ook, net als in zijn antisemitisme helaas.
  6. Slapeloosheid, van kinds af aan, heeft al mijn carrièreaspiraties doeltreffend om zeep gebracht. Mijn vroegste herinneringen zijn die waarin ik als vierjarige hele avonden bovenaan de trap zit, in de hoop dat iemand vanuit de huiskamer naar de wc moet, of worst wil halen uit de keuken, zodat ik nog wat aanspraak heb. Meestal is het mijn vader die onderlangs passeert. Hij is doof.
    ‘Pappa?’
    ‘…’
    ‘Pappa! Pappa! Hoi? Pappa?’
    ‘Hè? Roept daar iemand?’
    ‘Hier boven! Kijk dan! Ha die pappa!’
    ‘Wie? Waar? Ach Megchlientje, ben jij het weer? Wat is er?’
    ‘Ik kan niet slapen.’
    ‘Nou kind, toch maar goed je best doen, hè.’
    Ook gebeurde het wel dat mijn oudste broer midden in de nacht op de overloop over mij struikelde, omdat ik daar met zijn treintjes heen en weer zat te raggen. Ik moest dan ten eerste onmiddellijk van zijn treintjes afblijven (‘tering, hoe kom je dáár nou weer aan?’) en ten tweede niet zoveel lawaai maken, want onze ouders hadden hun rust hard nodig. Daar had hij wel een punt. We werden allemáál doodmoe van die jongen.
    Een halve eeuw later zei een slaapkliniek dat de oorzaak waarschijnlijk organisch was – een kwestie van te snelle serotonineheropname in de hersens – maar dat het wel zou helpen als ik daar wat gelatener mee omging. Ik heb intussen een vrij hoge mate van perfectie bereikt in het stoïcijns wakker liggen.
  7. Versleten tussenwervelschijf onderrug. Al een jaar of dertig. Ik zie er veel mensen mee naar de fysiotherapeut gaan, maar dat is echt een beetje ziekelijk aan ons zorgsysteem. Je kunt alle oefeningen die zo’n soort pijn draaglijk houden ook gewoon zelf doen.
  8. Enkele geblokkeerde ademhalingswegen, als gevolg van de Hinterfelder Heuschnupfenspray 50 Mikrogramm Sprühstosz. Dit euvel, met name wat betreft het onderdeel niet kunnende ruikende, lijkt mij in chronische vorm eigenlijk wel praktisch, nu jij besloten hebt de rest van je leven te stinken. Handig voor mijzelf natuurlijk, gezien onze talloze in het verschiet liggende dagjes uit, maar met name voor C. Haar adviseer ik dan ook met klem over te gaan op langdurig gebruik van de Hinterfelder Heuschnupfenspray 50 Mikrogramm Sprühstosz of anders onze eigen Vicks Sinex spray. Hoe eerder men ermee begint, hoe langer men er profijt van heeft. Kijk goed op de verpakking. Het merk doet er niet toe, zolang er maar voldoende Xylometazolinehydrochloride in zit.
  9. Restcategorie: a. drie keer per dag een minuut of twintig tand-en kiespijn linksboven in mijn kaak. Dat zal wel psychisch zijn, want ze kunnen geen gat vinden; b. erfelijk belaste, voortschrijdende doofheid aan één oor; c. naar schatting 1 á 3 middelgrote gezwellen, want die kunnen we gevoeglijk vermoeden op basis van het gegeven dat dodelijk verongelukte verkeersdeelnemers bij obductie vaker wel dan niet allerlei tumoren, cystes en pijpzweren blijken te hebben, zonder dat ze dat wisten.

Tot zover mijn prestaties op het gebied der fysieke ongemakken: 14! Nu ik ze nog eens overlees, zinkt mij de moed in de schoenen. Hoe kan ik in godsnaam nog zo vrolijk zijn? Wat is dat voor waanzin? Hangt mijn gal soms ondersteboven? Is er óók nog sprake van ziekelijke opgewektheid? Dan brengt dat de onderlinge stand alsnog op 15 – 2 in mijn voordeel. Het is bijna als vroeger in de competitie ‘wie heeft er gelijk’. Ik begrijp dat jij je de finesses daarvan niet meer herinnert, maar ik weet nog goed dat de verhouding toen doorgaans rond de 45 – 0 schommelde. Waarschijnlijk is het dit oog voor détail dat mijn humeur op de been houdt.

Maar waar had jij nou ook weer precies last van?
Vlekjes?

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.