Pltsvrvngnd schmt

Het is miezerig weer en dat past goed bij mijn humeur, waarin het ook al de hele dag kleine motjes regent.

Weiszt du misschien wo Beethoven gewohnt hast? Dat vroeg de flamboyante winnaar van het programma Maestro, Lucas Hamming, in Wenen aan een oudere heer in een bushokje. Uitgezonden op 15 december 2019.  Pltsvrvngnd schmt, daar heb ik steeds vaker last van.

Zo ook bij Grand-Hotel Europa. De jeugd leest geen lijvige boeken meer, dat is bekend. Dus Ilja Leonard Pfeijffer weet net als u en ik dat zijn lezers dementeren. Maar laat het toch zo erg als hij veronderstelt nog niet zijn! Want wat doet hij in deze roman? Hij laat – op p. 270 – een taxichauffeur in Skopje aan het woord. De chauffeur spreekt gelukkig ‘perfect Engels’. Het staat er expliciet bij, opdat wij niet denken dat deze dappere Macedoniër misschien toevallig Nederlands spreekt. Hij begint tegen Ilja Leonard Pfeijffer te praten, een heel betoog, dat hij verlevendigt met de kwinkslag ‘We hebben hier een mopje in Skopje. Dat rijmt.’ De lezer verwacht dat er iets volgt dat in het Engels op elkaar rijmt. Dit gebeurt niet. Dus gaat het om ‘mopje’ en ‘Skopje’. Maar in welk perfect Engels rijmt mopje op Skopje? Pltsvrvngnd schmt dus. Net als voor de ontelbare ‘het feit dat’-stoplappen, die een schrijver van zijn kaliber zich toch eigenlijk niet mag veroorloven. Ik denk dat het er meer dan honderd zijn. In ieder geval qua gevoelstemperatuur. Beginnen ze zo ongeveer halverwege echt te irriteren, dan is het met het leesplezier gedaan. Telkens als je net weer wat bevrijder adem haalt, grijpt er je opnieuw een bij de strot. Het probleem is dat je een werk als dit, van deze schrijver, vooral om de stijl leest. Voor hen wie het alleen om de inhoud gaat echter is het een weergaloos mooi, erudiet en geestig boek, ook voor niet-dementerenden.

Nog één voorbeeld. Sinds kort hebben wij Syrische overburen. Jonge mensen met een kindje van twee. De eerste keer dat ik naar de vader zwaaide, zwaaide hij joviaal terug. De moeder draagt, weer of geen weer, een hoofddoek en kijkt je niet aan, dus zwaaien heeft dan niet zoveel zin. Groeten doet ze ook niet, als ze met afgewend gelaat vlak langs je heen schuifelt, met het kind in een wagentje. Geeft niet, andere cultuur. Of mogelijk is ze gewoon verlegen, want uit een klein dorp misschien. A. heeft met hem al wel officieel kennis gemaakt, op de stoep voor hun huis. Gewoon erop afgestapt, goede wil tonen en zo. Hij spreekt redelijk Nederlands en hecht eraan te beklemtonen dat ze Koerden zijn, wat ons  inderdaad blindelings voor hen inneemt. De buren links en rechts van hen zijn wat minder te spreken. Zij wonen in een zelfde soort huurhuis, maar de woningbouwvereniging gaf hún nog nooit een nieuwe keuken, maar voor ‘die Syriërs’ wordt alles uit de kast gehaald, nieuw dit en nieuw dat en vooral dus een splinternieuwe keuken. Terwijl de huizen allemaal even oud zijn! ‘Ja, maar’ proberen wij, ‘dat geld komt uit een ander potje, het potje voor de vluchtelingen’. Helpt niet, wat goed te begrijpen valt.  Andere buren van verderop klagen over de voortuin, waaraan niks wordt gedaan, en vinden, net als wij trouwens, dat zo’n enorm laken voor het grote woonkamerraam in plaats van een gordijn toch eigenlijk meer iets voor een drugslab is. Dat laken is wit en het hele raam bijgevolg ’s avonds één groot hel verlicht vierkant, want binnen heerst een niets ontziend neonlicht. Niettemin besloten wij vlak voor Kerstmis even onze schoenen te poetsen en nette kleren aan te doen – want als je binnen wordt gevraagd zit je wel mooi te kijk in zulk licht – om de nieuwe bewoners nog eens een hart onder de riem te steken via een flinke banketletter W en een doos bonbons. We belden aan, hij deed open, we begonnen een hartelijk welkomswoord, hij nam met een zwierig gebaar de tas met inhoud aan, zei dankjewel en sloot de deur. Daar stonden wij, het hartelijke welkomswoord halverwege weer inslikkend en onze fijne boodschappentas kwijt. Zelden zagen wij zo geroutineerd een cadeau in ontvangst nemen. In Syrische ogen vermoedelijk het zoveelste goedbedoelde hulppakket, na dat van Vluchtelingen Oost-Nederland, de Voedselbank en Weggooien is Zonde van de plaatselijke middenstand.

Zo was het in één week drie keer raak met de pltsvrvngnd schmt.

De essentie van het fenomeen is dat degene die er de aanleiding toe vormt zich van geen kwaad bewust is. Hoe vaak zouden andere mensen hetzelfde bij mij hebben, vraag ik me wel eens achterdochtig af. Vrij vaak, vrees ik, afgaande op de mij zo vertrouwde blik van  A., wanneer ik onze visite op een anecdote tracteer of zomaar tegen een wildvreemde op straat begin te praten. Dan drijft dat ene oogje waarmee zij nog kan zien langzaam weg, naar een nis, een reservaat, in afwachting van betere tijden. Overwinteren noemde de goeie, ouwe Adorno dat, uiteindelijk leidend tot totale resignatie.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.

Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.