Weg met de democratie!

Ik las trouwens een paar weken geleden, dat de voorzitter van het Britse parlement een kat heeft die Order! heet. Dat had hij in een interview verteld. Ik weet niet of ik het verhaal moet geloven, maar het beeld van een parlement dat net zo gezeglijk is als een doorsnee huiskat sprak me wel aan.

Wat een vertoning zeg, daar aan de overkant. Ik heb me zitten afvragen: wat doe ik zelf eigenlijk, als ik de boel helemaal in de soep heb laten lopen en ik wil weer uit de soep? Wat ik dan doe is: pas op de plaats maken, achterom kijken, nagaan welke route ik heb gevolgd, ontdekken waar ik verkeerd ben gelopen, was dat maar één keer of vaker, hoe had ik wel moeten lopen, kan ik terug naar die afslag, en kan ik alsnog de goede kant op lopen, om zo een uitweg uit de soep te vinden. Er zijn ook andere methodes natuurlijk: je berust in de soep, tot je er in verzuipt, of je geeft anderen de schuld van de soep. Ik ken presidenten die dat doen, het zijn er de laatste tijd steeds meer, valt mij op.

Laat ik toch maar mijn eigen methode kiezen.

In 2016 is in Groot Brittannië een referendum gehouden en de uitslag was 51,9 % voor de Brexit en 48,1 % tegen. De conclusie van iedereen is dan, dat de Britten vóór de Brexit zijn. Daar ging het mis. Foute conclusie, zeg ik dan. Ik zeg: de Britten zijn verdeeld. Too close to call, zeker als het zo’n groot onderwerp betreft. Ik zou als Britse regering met de kiezers zijn gaan praten, desnoods aan vijf tafels. Wat vinden ze nou echt? Wat vinden de voorstanders, wat vinden de tegenstanders, en waarom, welke belangen spelen er. De Brexiteers zijn gemiddeld veel ouder dan de remainers bijvoorbeeld. Waar zit ‘m dat in? Wat vinden de Schotten? Wat vinden de Ieren? En als je een duidelijk beeld hebt wat er speelt in je land, kun je een beslissing nemen. Volgens mij is dat democratischer dan de grootst mogelijke minderheid in je land iets aandoen wat ze niet willen.

En nog iets. Je kunt deel uitmaken van de EU, of niet deel uitmaken van de EU. Beide posities zijn op zich goed, beide hebben voor- en nadelen, het is maar net wat je wil. Maar eerst meedoen en daarna weglopen is nooit een goed idee. Het kan wel, maar het levert alleen maar verliezers op, en de kans op mislukking is erg groot. Stick to the plan, en probeer er het beste van te maken.

Dus wat moet Theresa May nu doen? Ze kan wel wat hulp gebruiken, en je kent mij, ik kan dan niet aan de kant blijven staan en ik moet haar dan uit de soep trekken. Wat ze moet doen is, na alle stemmingen in het parlement, een brief schrijven aan Jean-Claude Juncker met ongeveer de volgende strekking:

“We, the British people” zijn nog niet toe zijn aan een Brexit, we hebben meer tijd nodig om het voor te bereiden. We trekken hierbij ons verzoek van twee jaar geleden om uit te mogen treden in. We gaan eerst een jaar intern met iedereen discussiëren over de voor- en nadelen. Als we er uit zijn melden we ons wel weer. Warm greetings and tell Mark I said hello”.

Dat is echt het beste.

Mark met zijn breekbare vaasje. Hij ziet ons land en onze samenleving als broos en breekbaar. Ik niet. Ik vind ons behoorlijk sterk en weerbaar. Wij kunnen tegen een stootje. Natuurlijk zijn ook wij niet onkwetsbaar, maar we zouden niet alleen moeten focussen op de gevaren die ons van buitenaf bedreigen, maar meer aandacht moeten besteden aan de stevigheid van onze eigen instituties, daar zouden we allemaal beter van worden. Zeg Mark, nu ik toch bezig ben regeringsleiders te adviseren, heb jij het laatste boekje van Herman Tjeenk Willink gelezen, “Groter denken, kleiner doen”? En zo ja, wat heb je er tot nu toe mee gedaan? Of nog niet? Als ik er de puf voor heb, zal ik het binnenkort voor je samenvatten. Ik moet ook nog mijn huis isoleren en zonnepanelen aanschaffen, maar ik  zal kijken wat ik kan doen.

Linie, heb jij het al uit?

Plat vermaak op mijn flatscreen

Ik heb een kleine drie maanden geen blog geschreven. Dat intermezzo is mij goed bevallen. Bloggen werd een heilig moeten, waardoor het me ging tegenstaan. Ik heb niet nu eenmaal niet jouw schrijfdrang, Linie, ik doe het soms graag, maar ook wel eens niet. En nu wordt het weer eens tijd. Eigenlijk zou het mijn hobby moeten zijn, want zo heel veel hobby’s heb ik verder niet. Moet een mens veel hobby’s hebben? Is dat beter voor je? Ik heb geen idee eigenlijk.

Weet je dat je voor de TV zit en achter de computer? Weet jij hoe dat zit? Jij bent toch goed met woorden? Wil je dat eens voor me uitzoeken?

Hoe dit ook zij, met de computer en de TV heb ik het grootste deel van mijn hobby’s te pakken. Ik kijk regelmatig TV, maar ik kijk zelden nog naar wat er wordt uitgezonden. De commerciële zenders hebben bij mij lang geleden al afgedaan. Niet alleen is de kwaliteit van de programma’s matig tot slecht, maar ik heb vooral nooit kunnen wennen aan de reklamespotjes, die op elk ongewenst moment opduiken. Het is lang geleden, enkele decennia denk ik, dat ik een avond naar een commerciële zender heb gekeken. De publieke zenders zijn wat beter, maar ook die houd ik steeds meer voor gezien. Ik was razend enthousiast over Ruben Terlou in China, en ook de reportages van Thomas Erdbrink over Iran mochten er zijn. Voor Lubach op zondag zet ik de TV aan, en het acht-uur-journaal sla ik ook nooit over, maar dat is het wel zo’n beetje.

Ik ben de afgelopen jaren een Netflixer geworden. Daar moet je extra voor betalen, maar dan heb je ook wat. Niet dat ik dan naar verheffende programma’s of diepgravende reportages zit te kijken, het is vooral entertainment, maar dan van niveau. Vooral de series kunnen verslavend werken. Sommige zijn zo goed dat ik ze een jaar later nog een keer bekijk. De tweede keer is het minder spannend, maar het blijft leuk. De echt goede producties komen uit het buitenland, in Nederland kunnen we dat nu eenmaal niet maken. Als ik nederlandse acteurs (m/v) bezig zie en vooral hoor, doet het pijn aan mijn vliezen, net en trommel bedoel ik dan.

Ik heb ooit een collega gehad die wel een TV had, maar geen kabel. Hij gebruikte zijn TV alleen om naar DVD’s te kijken. Hij moest niets hebben van wat er zoal wordt uitgezonden. Zo ver ga ik niet, maar ik kom in de buurt. Arjen Lubach betoogde onlangs, dat de omroepen steeds meer een doorgeefluik zijn geworden van producties, die door gespecialiseerde productiebedrijven worden gemaakt. Lubach’s betoog sloeg bij mij aan, want ik vraag me al jaren af waar we de omroepen nog voor nodig hebben. Ze zijn ooit ontstaan toen Nederland erg verzuild was, maar die tijd hebben we nu wel gehad. In de 21e eeuw hebben we geen omroepen meer nodig. We kunnen volstaan met één organisatie die het TV-aanbod regelt. Veel efficiënter.

Als ik genoeg heb van de TV ga ik tekenen, maar eigenlijk is het geen tekenen, het is digitaal natekenen wat anderen hebben getekend, daarvoor zit ik dus weer bij een beeldscherm. Ook deze hobby is tijdelijk, net als al mijn vorige hobby’s. Op enig moment krijg ik er genoeg van, en dan zoek ik weer wat anders. Ik vind altijd wel weer wat.

Werkelijk waar

Om met dat laatste te beginnen: daar ben ik het mee eens. Ik hoorde vroeger wel eens zeggen: ik geloof niet dat er een God is, anders zou er toch niet zo veel ellende op de wereld zijn. Alsof het één ook maar iets met het ander te maken heeft. Wat er op de aardbol gebeurt, het goede en het slechte, is mensenwerk, heb ik altijd gevonden, naast het werk van de natuur natuurlijk. Mensen geloven wat ze willen geloven. Geloof is een keuze.

Gebruik ik waarheid en werkelijkheid door elkaar? Zou best kunnen, ik heb het niet eens in de gaten. Waarheid is ook een keuze, denk ik. Dat heb ik gisteren weer eens van dichtbij mogen meemaken.

Het is niet mijn gewoonte om constant af te geven op de haagse politiek. Ik heb enkele decennia bij de rijksoverheid gewerkt, en was een deel van die periode in staat in de keuken van de nederlandse democratie te kijken. De haagse politiek is mensenwerk. Soms geweldige prestaties, soms amateuristisch geklungel, maar meestal moeizaam behaalde resultaten van mensen die al samenwerkend en compromissen sluitend proberen er iets van te maken. We worden redelijk goed geregeerd en daar doe ik het dan maar mee. Ik ben het niet altijd eens met de uitkomsten, maar de hele wereld zit nu eenmaal vol met andersdenkenden, en daar probeer ik mee te leven. Wat moet je anders.

Maar deze week had ik toch twee kwaaie momenten. Om te beginnen hadden we Wilders, die op het idee was gekomen een cartoonwedstrijd te organiseren over Mohammed en de resultaten daarvan tentoon te stellen in de PVV-kamers van het Tweede Kamer-gebouw. Nu is die wedstrijd alweer afgelast, dus wat je er nu nog over zegt is mosterd na de maaltijd. Maar het viel mij op, dat ik niemand heb horen protesteren, ja in Pakistan, maar niemand in de Tweede Kamer of het kabinet. Ik had mij kunnen voorstellen, dat de voorzitter van de Tweede Kamer een stokje had gestoken voor deze actie. Er wonen ruim 800.000 moslims in Nederland, die het volgens mij niet prettig vinden als hun profeet wordt beledigd. Daar behoren we toch rekening mee te houden? Dit soort opruiing zou verboden moeten worden, zeker in het gebouw van de Tweede Kamer. Moet de Tweede Kamer niet boven de partijen staan, of zeg ik nou iets geks? We zijn er als de kippen bij om de vrijheid van meningsuiting uit te roepen, maar we hebben vaak geen idee hoe we daarmee om moeten gaan. “Als je het er niet mee eens bent, stap je maar naar de rechter”, is vaak de reactie. Maar dat is een vrijbrief om zelf geen rekening te hoeven houden met de vrijheden van anderen. Heel jammer dat dat een kenmerk van onze democratie is geworden.

En dan Stef Blok. Ik heb gisteren van 10.15 tot 16.45 uur voor de TV gezeten om het kamerdebat over de gewraakte uitspraken van Stef Blok te volgen. Ik had er de tijd voor, en ik was benieuwd hoe het zou uitpakken. Hoe naïef kun je zijn . . . . Het begon goed. In de eerste termijn lieten de meeste partijen weten, dat Stef Blok domme en slechte dingen had gezegd. Dat beviel mij wel, want dat vond ik ook. Toen iedereen aan het woord was geweest, dacht ik: die man kan wel inpakken, die zien we niet meer terug. Na de lunchpauze kwam Blok zelf aan het woord. Langzaam maar zeker daalde bij mij een stevige depressie in. De man was niet om aan te horen. Hij dacht waarschijnlijk: als ik nu maar vaak genoeg herhaal dat ik mijn woorden heb ingetrokken, dan gelooft iedereen dat ik ze niet heb uitgesproken. Sommige fractieleiders vroegen hem ook: wat vind je nou echt? Maar we kregen het niet te horen. Wat hij gezegd had, had hij niet moeten zeggen, en wat hij had moeten zeggen, zei hij niet.

Ik hoef Stef Blok niet te vragen wat hij vindt. Ik weet precies wat hij vindt. Hij vindt dat er geen multi-culturele samenlevingen te vinden zijn waar de oorspronkelijke bevolking nog woont en waar een vreedzaam samenlevingsverband is, en dat diep in onze genen zit dat we niet in staat zijn een binding aan te gaan met ons onbekende mensen, en dat Suriname een failed state is. Hij zei wat hij vond toen hij dacht dat niemand meeluisterde, en hij zei wat hem was voorgekauwd toen iedereen hem kon horen en zien. Jakkes. En tegen het einde van het kamerdebat werd mij duidelijk dat hij er nog mee wegkwam ook. Er werd een motie van wantrouwen ingediend, maar die werd door ruim tweederde van de Kamer verworpen. Hij was precies voldoende van zijn geloof af gevallen om te mogen blijven. Om je dood te schamen. En die man is dus onze minister van Buitenlandse Zaken. Wat hij meende wat hij zei maakte hem ongeschikt, en wat hij zei als excuus maakte hem ook ongeschikt, omdat je kon zien dat hij het niet meende.

Misschien is Nederland ook een failed state?

Hollandse meesters

Het was te warm om te bloggen, te warm om na te denken zelfs, maar nu de hittegolf voorbij is en niet terugkomt, als we de verwachters mogen geloven, kunnen we weer. Hoe ik de hittegolf ben doorgekomen? Door gewoon te blijven doen wat ik leuk vind (uitstapjes), of niet (strijken!). Dan heb ik het maar te warm. Af en toe biggelden de zweetdruppels langs mijn lijf, maar als je dan het tempo verlaagt en de schaduw opzoekt, gaat het wel weer. Business as usual, maar dan trager.

De verjaardag van C. viel precies in de hittegolf en ook zij wilde iets leuks gaan doen in plaats van bewegingloos in de schaduw blijven liggen. “Laten we naar Amersfoort gaan”. Daar was ik nou nooit opgekomen, maar dat is dan ook de kracht van C. Zij wil weten wat daar te zien is, terwijl ik al gauw denk: daar is toch niets te zien? Dat had ik dus mis.

Wij naar Amersfoort. Eerst naar de dierentuin. Daar waren we jaren geleden al eens geweest, maar daar kon ik me niets meer van herinneren. Voor mij was het alsof we er voor de eerste keer kwamen. Ik moet zeggen: het was een leuk ingerichte tuin. De hele opzet was vooral gericht op kinderen, wat misschien ook wel de belangrijkste functie is van een dierentuin: uitleggen hoe de beesten leven en dat we er zuinig op moeten zijn. Want verder vind ik het vooral voor de dieren niet leuk dat we ze opsluiten. En de dieren vinden het ook maar niks. Ze onttrekken zich zoveel hun kooien en verblijven dat toelaten aan de blikken van de bezoekers. “Ze hebben ook last van de warmte, daarom liggen ze te slapen in de schaduw” hoorde ik een moeder zeggen. Echt niet. Als je opgesloten bent, word je vanzelf een dooie pier. Op een bordje bij de chimpansees stond dat de oudste chimpansee daar “al meer dan 50 jaar bij ons verblijft”. Ik zag hem zitten, met zijn rug tegen een muur, levend maar niet levendig. Hij had er niet voor gekozen.

De volgende ochtend, toen het nog koel was, wandelden wij door het oude centrum. Dat wordt omgeven, net als in veel andere steden, door een rond lopende gracht die in vroeger eeuwen als verdediging tegen ongewenste elementen diende, maar nu vooral bijdroeg aan het mooie stadsgezicht. Mijn eerste bezoek aan Amersfoort was voor mij een openbaring.

Ook het geboorthuis van Piet Mondriaan staat er en ik kreeg van C. toestemming om er te gaan kijken. C. heeft nu eenmaal weinig affiniteit met het werk van Mondriaan, ik vind het juist heel intrigerend. Het huis is als museum ingericht. Wij werden bij binnenkomst welkom geheten door een vrijwilliger. Dat is iemand die overloopt van enthousiasme, meer vertelt dan je wilt weten, en niet te stuiten is. Je kunt pas aan je bezoek beginnen als hij je heeft laten gaan. Het kleine museum bevat veel van het vroege werk van Mondraan, vooral landschappen. “Mondriaan is de belangrijkste landschapsschilder van Nederland”, had de vrijwilliger gezegd. Die opvatting deel ik niet, en ze is ook niet algemeen gangbaar. 

Mondriaan is pas vanaf zijn veertigste abstracter gaan schilderen, en de beroemde abstracte werken, de gekleurde vakjes zal ik maar zeggen, zijn van na zijn vijftigste. “Ik wil de waarheid zoo dicht mogelijk benaderen en daarom alles abstraheeren tot ik kom tot het fundament der dingen”, aldus Piet in 1914. Paradoxaal, want hoe meer je abstraheert, het woord zegt het al, hoe verder je weg raakt van de werkelijkheid. Kunst is maar net hoe je het zelf ziet. Nepnieuws kennen we daar niet.

Wat zou Mondriaan ervan hebben gevonden als zijn werk gebruikt werd voor WC-deksels en WC-rollen? Jammer dat ik hem dat niet meer kan vragen.

En wat heb ik verder nog gedaan in de hitte? Een tijd geleden alweer, ver vóór de hittegolf, werden wij uitgenodigd voor een Golden Earring-fietstour door Den Haag. Toen de afspraak werd gemaakt heb ik niet goed opgelet, dus ik had geen idee hoe dat zo kwam en wat het inhield. Maar een uitstapje met mijn vrienden is altijd leuk, dus ik dacht: het komt vast goed. De afspraak viel, zo bleek achteraf, in een dipje tussen twee hittegolven, dus het weer zat ook al mee. Wij fietsten gezessen naar Den Haag en daar aangekomen troffen wij vrienden van vrienden, die wij alleen kenden van feestjes van jaren geleden. En die bleken weer bevriend met de gids van de fietstour: Peter de Ronde, die van 1963 tot 1966 lid was van de Golden Earrings. Peter leidde ons door de Haagse wijk Oostbroek, want daar is het allemaal begonnen. Daar gingen de jongens op school, vormden ze later muziekbandjes met elkaar en traden ze op in zaaltjes in de wijk. In die tijd, eerste helft zestiger jaren, wemelde het letterlijk van de popgroepjes in Den Haag, je had ze zowat bijna op elke straathoek. Wat later de Golden Earring is gaan heten (zonder s er achter) heeft niet van begin af aan dezelfde groepssamenstelling gehad. In totaal hebben 12 mensen deel uitgemaakt van de band. Sinds 1978 bestaat de band uit de huidige leden: Barry, Rinus, George en Cesar. Nou ja, the rest is history, zoals we dan zeggen.

Peter, ook al een enthousiaste vrijwilliger, liet ons zien waar de bandleden waren geboren of hadden gewoond, waar ze op school hadden gezeten, waar ze elkaar hadden leren kennen, en waar ze hadden opgetreden. Hij vertelde veel details over hoe het er vroeger aan toeging en deed dat met veel plezier. Als het over de Earring ging viel het mij op dat hij sprak over “wij” en “onze groep”. Hij mag dan meer dan een halve eeuw geleden de groep hebben verlaten, de Golden Earring heeft hem niet verlaten. 

Ik heb 35 jaar in Den Haag gewerkt, tot 2012, maar was nog nooit in Oostbroek geweest. Het is een prettige woonwijk met een geheel eigen sfeer. Ook dat bezoek was een openbaring. En als je een paar jaar ergens niet komt, blijken er weer dingen veranderd. In het centrum is een beeld neergezet van Haagse Harry, buiten Den Haag  een minder bekende stripfiguur, maar in Den Haag een begrip. Ik ben erg trots dat ik samen met hem op de foto mocht.

Het is veel te warm om te bloggen

Had ik nou in mijn vorige blog niet verteld, dat er bij mij geen Getuigen van Jehovah meer aan de deur komen? Zal je altijd zien: vanmorgen tegen elven belden ze aan. Of de duvel ermee speelt. Twee middelbare dames. “Goedemorgen meneer, wij mogen u een uitnodiging aanbieden. Goedemorgen meneer”. Onder het uitspreken van deze ingestudeerde volzin stopte de ene dame mij een gedrukt foldertje in de hand, waarna beiden zonder een reactie af te wachten zich weer uit de voeten maakten. Op het foldertje stond inderdaad met grote letters uitnodiging, en ik kon wel raden waarvoor. Voordat de dames mijn oprijlaan definitief hadden verlaten, lag het foldertje in de afvalbak. Als overtuigd ongelovige ben ik nu eenmaal afkerig van getuigende missionarissen, laat staan dat ik mij naar een zaaltje begeef om hun getuigenissen aan te horen.

23 Graden, milde zon en een zachte bries uit het zuiden: het is werkelijk een pijnlijk nauwkeurige omschrijving van mijn ideale weertype. Ik ben al jaren gewend dat dat weertype maar weinig voorkomt in Nederland, en meestal duurt het ook maar vrij kort. De afgelopen weken echter hebben we dagen achtereen precies dat weertype gehad, althans waar wij wonen: in één van de kustprovincies. Ik heb nog geen aanleiding gehad om hatemails naar het KNMI te sturen. De maximum-temperaturen zie ik alleen op TV, bij ons halen we ze niet. En wij lopen ook de Vierdaagse niet, we zijn wel gek maar niet goed genoeg om die vele kilometers in de hitte af te leggen. Wij wandelen liever onder de bomen van het Zwarte Woud.

Op mijn zolderkamer, waar ik dit zit te typen, is het nu dertig graden, en het zal nog wel warmer worden. De zon bakt op onze dakbedekking, en die warmt de zolder steeds verder op. De komende dagen daalt een hittegolf over ons neer. Weg ideaal weertype. De zolder wordt dan ondraaglijk. Veel te warm om te bloggen.

Nu we het er toch over hebben: ik ga het advies in dat boekje dat ik je heb toegestuurd opvolgen en mijn blogs voortaan aan een thema ophangen. Ik denk niet dat dat jouw blog-methode zou zijn, maar ik heb daar wel baat bij. Dan hoef ik niet iedere keer mijn hersens te pijnigen over de vraag: waar zal ik het nu weer eens over hebben. Later meer daarover. Ik ga nu een koud biertje organiseren, voor ik definitief ben weggesmolten . . . .