Over Linie Plukker

https://nl.wikipedia.org/wiki/Megchel_Doewina

Pieken, dalen en de norm

We zitten hier natuurlijk met de jaarlijkse burn out van Sinterklaas, Kerst en Oud en Nieuw, maar ook buiten de erkende feestdagen is er teveel vermaak in het dorp. Het gaat van Halloweendiscozwemmen tot Koopjesfestijn, van Lampionnenoptocht tot Skateboard Event, van Elvis Christmas Show tot Goochel Workshop en het komt erop neer dat niemand zich nog een seconde mag vervelen. Eens even nadenken zonder rap en hiphop uit boxen aan de muur, getoeter van de kermis, smartlapkoren op de markt? Joh, laten we er ook nog een carillon bij doen! Waarom? Nou, we hebben er toch nog geen! Iedereen heeft een carillon, alleen wij niet! Het is de middenstand die dit alles voor ons bedenkt, terwijl de rest als zombies van de ene attractie naar de andere doolt, her en der euro´s over de toonbank werpend. Ik gun het de middenstand graag, daar niet van. Zonder middenstand zijn we helemáál reddeloos overgeleverd aan de moestuin. Maar er is teveel en meestal overal tegelijk collectief amusement, zodat de arme dorpeling hollend zijn kroost bij de lurven grijpt, anders redt hij het niet. Want hij wil toch ook niet net tussen twee attracties in bezwijken aan zijn burn-out. Zoiets wil niemand.

Persoonlijk ben ik, zo weten wij uit vorige blogs, wel zo ongeveer de ergste van allemaal. Want wat doe ik met mijn hersens? Midsomer Murders kijken (voor de tweede keer, maar ik weet nooit meer wie het gedaan heeft of waarom), The Big Bang Theory (voor de derde keer), Friends (waarvan ik alle afleveringen intussen uit mijn hoofd ken). Terwijl hoe hoger je IQ, zo weten wij ook uit vorige blogs, des te groter de verantwoordelijkheid er iets zinnigs mee te doen. Gelukkig is het mijne dankzij een halve eeuw stoïcijns slaapmiddelengebruik intussen afgevlakt naar rond de 85. Dus heb ik met Kerst en Nieuwjaar alle acht afleveringen van l’Amica Geniale, gebaseerd op de vier Napolitaanse romans van Ferrante, bekeken, alsmede het zes uur durende epos La Meglio Gioventú van Marco Tullio Giordana. Goed en mooi entertainment voor senioren met een licht verstandelijke beperking. Zo heet dat, merkwaardigerwijs. Want wat een lichte beperking is, snap ik nog net, maar wat betekent licht verstandelijk eigenlijk precies?

Divertissement de norm, reflectie de afwijking. Er zijn weliswaar van die belevingstrajecten, bijvoorbeeld hier vlakbij in de Heilige Landstichting, die je met heel het gezin langs de kruisweg van Jezus voeren, maar dat zijn toch ook meer pretparken dan wat anders. Er staan weliswaar geregeld mensen stil bij zo’n statie, maar dat is omdat ze oud zijn en asthma hebben. Anders ga je ook niet naar zo’n kruisweg natuurlijk.

Om het vanzelfsprekende van de norm – we stipten het al even aan toen we constateerden wat een ongelooflijke loser de normale mens eigenlijk is – gaat het mij. Aan het niet nadenken over die norm moeten we iets doen, bedoel ik. Althans jij, ik ben te moe van het televisiekijken. Bijvoorbeeld – ik weet ook niet hoe ik daar nou weer ineens opkom – de norm die zegt dat asthma een ziekte is. Hoezo? Ja, hier in Nederland, waar een grote minderheid vroeg of laat iets aan de luchtwegen krijgt en dan afwijkt van het voorschrift dat een normaal mens zonder hoesten door het leven gaat. Maar wat is dat voor norm in een land dat zelf asthmatisch is van alle vieze fabrieksschoorstenen, auto-uitlaten, barbecueroosters, open haarden, vrachtwagens, mensen die hun tanden niet poetsen, mensen op scooters, mensen die bij de geringste tegenslag een reeks reutelende winden laten? Hè? Als onze rochelaars in Oostenrijk gaan wonen, in de bergen, met wind zoals wind bedoeld is, hebben ze nergens last meer van. Dan wijken ze ineens nergens meer van af. Dan hoor je de dokters niet meer met hun ‘u bent ziek, u hebt COPD, uw luchtwegen kunnen het normale leven niet aan’. Wat je in Oostenrijk hoort zijn Oostenrijkse dokters die zeggen ‘Sie haben ja ganz recht dasz Sie den kranken Feinstoffbubl hinter sich gelassen haben’. En zo, wil ik maar zeggen, is het ook met de moderne fratsdiagnoses. De kinderen die nou al die drukke etiketten opgeplakt krijgen, leefden zich vroeger lekker uit in schone buitenlucht, speelden in korenvelden rond de boerderij, klommen in bomen, ragden door sloten en kreupelhout en gingen dan zonder eten naar bed, vanwege de winkelhaken in hun broek, tenzij ze alleen maar een gat in hun kop hadden, want dat vonden onze moeders niet zo’n punt, daar gingen ze even met een nat doekje overheen en klaar was kees, waarna we soep met brood kregen en ook nog even naar Paulus de Boskabouter mochten luisteren.

Eergisteren wees een vriendin mij op het bestaan van het computerspelletje Peaks. Dat meet je IQ. Ik blijk daar heel, heel slecht in te zijn. IQ 85? Ja, dat had ik gewild! Met name mijn korte-termijn-geheugen schijnt bovenmodaal aangetast te zijn. Bij de meeste onderdelen deelt Peak mij juichend mee dat ik in ieder geval beter ben dan 6% van mijn medespelers. Zo rond de 50% zou normaal zijn, dus je begrijpt dat ik in zak en as zat. Maar zoiets duurt gelukkig nooit lang. Het diepgaande inzicht in mijn eigen falen namelijk maakt mij naar ruwe schatting toch weer stukken beter dan 94% van mijn medespelers. Goed zo Linie, prima debuut, ga zo door. Met vriendelijke groet, Peaks.

Dit is wat men met normen moet doen.
Ein bissel kaltstellen, ja?

Zo bedacht ik gisteren tijdens een discussie bij Jinek over het immense gevaar van fake news, dat fake news al heel lang bestaat en dat de bijbel misschien wel de eerste full blown fake news bubble ooit was. Verheugd over deze sprankelende vondst googlede ik vervolgens op ‘eerste nepnieuws bijbel’, in de hoop dat de Babyloniërs nog eerder aantoonbaar sjoemelden met hun kleinotaties betreffende ontvangen geiten en zag toen dat veel anderen mij reeds voorgingen met de bijbel. Heel veel anderen. Ik was hierin naar schatting beter dan 23% van de totale medemens. Niettemin goed gedaan hoor, prima debuut.

Hoewel nog lang niet klaar met het afserveren van de norm en haar wurgende greep op ons welzijn ben ik nou eerst wel weer aan een borrel toe. So wie so staat dit soort bespiegelingen – net als trouwens de was ophangen, dingen van en naar de moestuin kruien, plastic scheiden van groen-, fruit- en tuinafval, statafels klaarzetten voor topoverleg tussen moestuinmensen, met restafval achter de vuilniswagen aan hollen, koffie zetten voor moestuinmensen, kortom die hele rompslomp die leven heet, douchen, tandenpoetsen, aardig zijn voor moestuinmensen – mijn drankgebruik betreurenswaardig vaak in de weg.

Santé Fons, op het Nieuwe Jaar!

Kunst en vliegwerk

Net als vorige maand was ik negen jaar geleden ook bij een concert in de Nijmeegse Vereeniging. Wij gaan iedere negen jaar naar een concert, mijn vriendin en ik. Het was in 2009 op 16 november om precies te zijn. Ik herinner mij dat ik er in een brief – ja Fons, toen schreven de mensen nog brieven, dat was net zoiets als bloggen – aan mijn nicht over schreef. Zij schreef ook nooit terug.

We waren bij een uitvoering van het Nijmeegse Mannenkoor, dat weer eens een keer zoveel jaar bestond, 150 meen ik. Tijdens die bewuste uitvoering vielen er twee mannen flauw. Koorleden welteverstaan, mannen uit het koor. Het was halverwege het Slavenkoor van Verdi, dat je beslist ook kent. Wat wilde echter het geval: de dirigent liet gewoon doorzingen. Terwijl die mannen dus midden op het podium bezwijmd ineenzakten. Ze waren weliswaar koninklijk goedgekeurd, net als de rest, maar in doorsnee waren ze met z’n allen wel ongeveer 70 jaar oud, overwegend kaal en merendeels wankel ter been. Dus zo gek was dat flauwvallen niet, zeker als je al een uur of twee hebt staan zingen, in een door de dirigent opgelegd tempo bovendien dat voor het gemiddelde lid bepaald een uitdaging vormde. Terwijl hulpverleners af en aan liepen, zich een weg banend door het met grote schrikogen doorzingende koor, weigerde de dirigent een pauze in te lassen. Ik heb mij er nog persoonlijk mee bemoeid, door zo’n beetje half luid en vooral goed van mijn verontwaardiging getuigend ‘Hou nou op, dirigent, schei nou toch uit’ te roepen en ook om mij heen nam  het rumoer toe. Het vrouwenkoor Mnemosyme, dat zich vooraan op het podium bevond, had zich reeds als één man omgedraaid om de verwikkelingen achter zich beter te kunnen volgen. Maar de dirigent, hij ploegde voort. Zelfs toen het nummer – ‘vlieg gedachte, op gouden vleugels’ – volledig uitgevlogen was en hij dus een ‘natuurlijk’ rustpunt had kunnen inlassen, wilde hij van geen opgeven weten. Hij hief zijn armen voor het volgende onderdeel. De solist – die kennelijk eveneens zijn laatste trein nog wou halen – begon alvast op eigen gelegenheid, maar dat ging zelfs de dirigent te ver. Twee tellen later echter gaf hij groen licht, het orkest zette in, het koor volgde en op ongeveer een kwart van dit nummer – ook de laatste hulptroeper verliet nu het podium – stak een van de overeind  gebleven koorleden zijn beide duimen naar hem op, ten teken dat er geen – althans geen hinderlijke – doden te betreuren vielen. Maar het bleef nog lang onrustig, zowel in de zaal als op de bühne.

Cultuur is geen lolletje.

Maar soms ook weer wel. Afgelopen vrijdag 7 december bijvoorbeeld moest ik naar een soort congresje van de omroep. Het regende pijpenstelen en ook rukten stormvlagen mijn paraplu keer op keer binnenstebuiten. Gelukkig trouwens maar dat dit kon, anders was ik zo over Wijchen heen richting grote stad gewaaid. Nu wist ik met inspanning van al mijn krachten lopend de trein te halen. Vervolgens is het dan altijd even afwachten of ik in de goeie zit, want merkwaardig vaak is dit niet het geval en vertrek ik richting Den Bosch, waar ik meestal niet heen wil. Ditmaal ging het goed en woei ik vanaf het station in Nijmegen alsnog naar het congrescentrum, waar men mij verwachtte. En wel in de VIP-lounge, waar ik van nature meestal wel heen wil, maar tot dan toe nog nooit was geweest. Althans, ik nam uiteraard ook nu eerst de verkeerde van de beide hoofdingangen en kwam in een ander soort lounge, met allemaal heerlijke buffetten en achter de balie een Chinese receptioniste. Tenminste dat denk ik, Chinees. Soort van intuïtie, niet goed uit te leggen.
‘Kan ik u helpen, mevlouw?’
‘Ja graag, ik zoek de VIP-lounge, voor de locale omroepen.’
‘Oh omloepen, andele deul, ingang links.’

Dus ik denk nog ‘rinks, hoezo rinks’, maar uiteindelijk vond ik de goede deur.

Het congresje stelde me enigszins teleur, maar zo’n korte ontmoeting tussen twee culturen beurt me wel altijd op. Net als het ‘blootje gezond’, dat we eens in park Sonsbeek geserveerd kregen. Het zijn de kleine dingen die het doen, vind ik. Niet de glote.

Had ik je al gesuggereerd om jouw lieve echtgenote, als ze tenminste ooit nog weer terugkeert van het vluchten voor de bouwwerkzaamheden in jullie huis, de vier romans over Napels van Elena Ferrante cadeau te doen? Die gaan ook over cultuurverschillen, met name die tussen bewoners van een Napolitaanse achterstandswijk en de beter gesitueerden in Italië. Beschreven vanuit de hoofdpersoon die, met keihard werken, strategisch trouwen, talent en geluk, van een dubbeltje een kwartje wordt, maar toch onontkoombaar haar hele leven het achterstandsverleden met zich mee blijft dragen en ziet hoe schrijnend pijnlijk haar jeugdvriendin, die alles in zich heeft om een glanzende euro te worden, afglijdt tot een roestige cent. Erg mooie romans, niet zozeer stilistisch misschien, maar wel inhoudelijk, psychologisch, qua verhaal en vertelstructuur.

Niemand weet wie Ferrante, de auteur, eigenlijk is. Tot op heden een machtig mysterie. Ik denk zelf – gezien de minieme schoonheidsfoutjes, chronologisch of anderszins, die ik af en toe tegenkwam – dat het een echtpaar is. Mark my words.

 

Hobby’s en andere ongemakken

Kijk, nou heb ik iets – plat vermaak op jouw flatscreen – om puntsgewijs op in te gaan!

Intermezzo van drie maanden.

Jij mag – maar alleen omdat jij het bent – telkens ongeveer een kleine drie maanden geen blog schrijven. Wee je gebeente als je het wel doet, dan zijn de rapen gaar, zeg maar. Wist je dat ik een ongelooflijke hekel heb aan de stoplap ‘zeg maar’? Van de week echter zei ik het voor het eerst van mijn leven zomaar zelf. En dan ook nog twee keer in één gesprek. Ik vroeg de geïnterviewde historicus, een expert in oude burchten, iets over ‘de algoritmerevolutie, zeg maar’ en of hij nog toekomst zag voor ‘de homo sapiens, zeg maar’. Waarom kan een mens zulke dingen niet, zeg maar, gewoon vragen? Hè? Fungeert de stoplap als excuus voor blaaskakerij? Of ben ik bezig kinds te worden? Dat laatste bevalt overigens in zoverre wel redelijk dat ik tegenwoordig ook vergeet dat ik dingen vergeet. Als ik, terwijl de ander zijn antwoord formuleert – ‘nou mevrouw, met de door u genoemde algoritmerevolutie is het zo, dat ik eigenlijk niet weet waar u het over hebt, maar de vroeg middeleeuwse motteburchten, die moeten wij hoe dan ook zien te bewaren, immers… ‘ –  even een daardoor opgeroepen gedachte vast wil houden tot hij uitgepraat is, dan zijn tegen die tijd a. de gedachte als zodanig en b. ook de vage herinnering eraan weg. Nou, opgeruimd staat netjes, zou je zeggen, maar hoe kun je dan toch nog beseffen dat er twee rommeltjes zijn opgeruimd? Omdat ik in een overgangsfase zit, vermoed ik. Volgens mij zit de hele homo sapiens in een overgangsfase. En soms beseft hij dat, maar meestal niet.

Weet je dat je vóór de TV zit en achter de computer? Weet jij hoe dat zit? Jij bent toch goed met woorden? Wil je dat eens voor me uitzoeken?

Natuurlijk zoek ik zoiets voor je uit. Het is als volgt: ergens vóór gaat men zitten als men niet van plan is iets zinnigs te doen, ergens achter als men aan het werk wil. Zij zit er voor spek en bonen bij. Hij zit achter de vrouwen aan. De bende zit voor twee tot vijf  jaar vast. Ik zit achter het stuur. Jij zit voor je uit te staren. Men zit ons achter de vodden. En zo voort en zo verder. Leer het anders even uit je hoofd, zoveel is het niet.

Het tv-kijken

Dat doe je volgens mij wel zo’n beetje goed. Ik deel je bezwaren tegen de kwaliteit en de tussendoorreclames van de commerciëlen en vind de publieke zenders over het geheel net een slagje minder slecht. Maar naar Lubach kijk ik niet, omdat ik gek word van die lachband, ook al ontkent hij het bestaan ervan nog zo guitig, op een manier die natuurlijk zelf grappig bedoeld is. Dat spreekt voor zich. Wat denken wij wel.

Over Netflix kan ik niet meepraten, omdat dat er financieel helaas niet inzit hier. Ik deel echter wederom je aversie tegen al die Nederlandse series bij NPO en commerciëlen. Misschien wel ten onrechte, want ik kijk er eenvoudig niet naar. Wel pik ik af en toe een IJslandse detective mee, die ik dan soms toch aardig vind, vermoedelijk omdat de vreemde taal imperfectie camoufleert. Midsomer Murders, met John Nettles – want diens opvolger Neal Dudgeon is zelfs in het Engels te zakkig om aan te zien – kijk ik vooral om de pittoreske landschappen, cottage-interieurs en middle-class-tuttigheid. Het verhaal volg ik niet, want na een minuut of tien haal ik namen door elkaar en weet ik niet meer wie wie is en waarom in godsnaam. De plot komt dan ook vrijwel altijd als een geweldige verrassing. Vroeger was het standaard de butler, als arche type voor de minst verdachte persoon. Nu is het meestal de liefste, aardigste, eerlijkste, leukste of betrouwbaarst ogende.  Maar – afgeleid door al die interieurs en landschappen vermoedelijk – vind ik de verkeerde figuren vaak het leukst, dus zit de gok er altijd naast. Ik heb intussen sterk de indruk dat ik afdwaal, maar ja, waarvan eigenlijk? Hoe dan ook, Midsomer Murders is gezellig en rustgevend, stukken comfortabeler dan mafiamoord, marteling en uitgemergeld sterven aan een overdosis heroïne. Dat soort dingen doet de homo sapiens maar in zijn vrije tijd.

Hoewel, eigenlijk zijn mafiamoord, marteling en uitgemergeld sterven in het gemiddelde Hollywoodprodukt ook best geruststellend. Je kijkt ernaar en vergeet het weer. Maar kijk naar ‘Gij zult niet doden’ van Kieslowsky en je ziet het verschil tussen geruststellende kitsch en verontrustend realistische kunst. Wist je dat door deze film de doodstraf in Polen eind vorige eeuw werd afgeschaft? Zoiets heeft tot op heden geen Hollywoodfilm ooit voor elkaar gekregen.

Maar of ik intussen al zoals jij helemaal zonder omroepen en hun ideologie kan, betwijfel ik. Hier in huis ontvangen wij sinds jaar en dag twee VPRO-gidsen, om de Vrijzinnig Protestanten toch maar vooral in het zadel te houden. Als er niemand meer namens ons vrijzinnig protesteert, om het even waartegen en met of zonder lachband, waarvoor leven we dan nog, vraag ik mij vaak krabbend af. Gevolg is wel dat ik daar niet ook nog Netflix bij kan hebben.

Jouw tekeningen

De samenwerking met Gustave Riom leidt werkelijk tot wonderschone producties. Van mij mag je daar tot in lengte van dagen mee doorgaan, ik zou er zelfs de termijn waarbinnen je geen blog meer mag schrijven voor willen verlengen tot een half jaar. Maar dan moet je de tekeningen wel op je website zetten!

Nu nog als uitsmijter een addendum bij mijn vorige blog

Want ik vergat aangaande de lectuur die mijn jeugd beheerste nog de toonaangevende figuren in de verhalen van Tom Poes en Heer Bommel te vermelden: Kapitein Walrus, professor Prlwytzkofsky, Alexander Pieps, burgemeester Dickerdack, Joris Goedbloed, professor Sickbock, markies De Canteclaer, Pee Pastinakel, Terpen Tijn, journalist Argus, Kwetal, Okke Zielknijper, Zwarte Zwadderneel, commissaris Bulle Bas, brigadier Snuf, ambtenaar eerste klas Dorknoper, Wammes Waggel, boeven Bul Super en Hiep Hieper, Hocus P. Pas.

Kortom er doet niet één normaal personage in mee, in de vorm bijvoorbeeld van, zeg maar, een vrouw. Of wacht, er is natuurlijk juffrouw Doddeltje! Maar haar functie beperkt zich hoofdzakelijk tot het met de thee klaar zitten als Heer Bommel en zijn jonge vriend in hun oude Schicht huiswaarts keren van hun zoveelste bloedstollende survival experience. Zouden mijn ouders werkelijk hebben gedacht dat ik mij met juffrouw Doddeltje indentificeerde? Joost mag het weten. Mijn ouders dachten niks, denk ik. Of hooguit ‘voor een ongelukje is het best een zoet kind’. Maar hoe kan zelfs het zoetste kind iets beginnen met iemand die alleen maar klaar zit met thee? Kijk, als Marten Toonder Doddeltje ook had laten strijken, koken, de was doen, kleine teddyberen baren, luiers verwisselen, breien, naaien, stofzuigen, poetsen, Heer Bommels vermoeide schouders masseren, ja dan had ik begrepen wat mijn taak was. Nu voelde ik mij tot ongeveer mijn tiende noodgedwongen vooral verwant met Tom Poes. Daarna kreeg ik in de gaten wat een irritant gozertje dat eigenlijk was en nam Ollie B. zijn plaats in als idool. Tegenwoordig zwabber ik zo’n beetje tussen de pientere journalist Argus, bereid in de diepste riolen af te dalen voor een goeie roddel, en de Zwarte Zwadderneel, voortdurend bezig door middel van persoonlijke boetedoening de wereld te verbeteren.

Als de Zwarte Zwadderneel links jeuk heeft krabt hij ook altijd even rechts.

Afbeeldingsresultaat voor Hollywood the end

 

 

Moestuin- en andere complexen

Hier weer even wat losse invallen, want zolang jij de voorkeur geeft aan de hele dag maar tekenen, websites ontwikkelen voor de complexen van mijn vriendin en andere vluchtroutes verzinnen, heb ik natuurlijk niks om echt coherent op in te hakken.

De mens dan maar weer.

Mijn reserve ten aanzien van de mens is dat die, gezien zijn oorspronkelijk zo veelbelovende potenties, allesbehalve het best mogelijke resultaat van wat dan ook is. Struggle for life en survival of the fittest hebben uiteindelijk bepaald een bedenkelijk product opgeleverd, moreel gezien. Fittest betekent dan ook niet de moreel beste, maar de best aangepaste. Bescheidenheid, gevoeligheid, sociale intelligentie, zachtheid, homoseksualiteit, empathie hebben in de voortplantingsrace te vaak het loodje gelegd, zijnde niet meteen de eigenschappen die ons het meest van pas komen in barbaarse omstandigheden als oorlog, ijstijd of Boer Zoekt Vrouw. Homofobie snap ik nog. Homo’s wisten zich in hun geheel zelfs in tijden van vrede en harmonie nauwelijks voort te planten. Ja, dan maak je het er zelf ook naar, vind ik. Maar al doende ontstond zo wel de norm hetero, agressief, godsdienstwaanzinnig, hard, wreed en moordzuchtig, waar we sindsdien met name ‘s zondagsavonds mooi mee zitten. Vergeleken met wat het óók had kunnen zijn, lijkt mij wat tegenwoordig normaal is so wie so behoorlijk psychopathisch. Het heet alleen mooi en goed, omdat het gewonnen heeft.

Laat mij de stelling met een enkel voorbeeld staven. De hedendaagse herenmode. Het lijkt hierbij misschien meer om esthetiek te gaan, maar alleen een moreel hopeloos aan lager wal geraakt wezen komt op het idee van de hedendaagse herenmode. Neem de te krappe colbertjes met bijpassende pantalon. Of beter nog die claustrofobisch hoog gesloten bovenste knoopjes van overhemd of poloshirt. Of nee, wacht: de grote, zware, vaak ook nog zwarte brilmonturen, waarvan prins Bernard jr. hors categorie het allerfraaiste exemplaar heeft opgezet, waarna uiteraard ook de vrouw, van tenger, jong en blond tot obees, mollig en henna, zonder enige druk van kerk of moskee zo’n wangedrocht op haar neus plakte. Wat is dat allemaal voor waanzin? Waar ging het definitief mis in de evolutie? En gebeurde dat geleidelijk, met af en toe eens per ongeluk een bovenste knoopje dicht, via minder sterfte door verkoudheid leidend tot een tsunami van dichte knoopjesdragers na pakweg 2010? Of ging het via een spontane kortsluiting in het gen van de goede smaak?

Ander voorbeeld. Afgelopen zaterdag zat ik in een uitverkochte Vereeniging in Nijmegen, al wekenlang vastbesloten me te verheugen op wat er komen ging en daar ter plaatse nietsontziend van te genieten. Volledig over the top immers, het Requiem van Verdi, dus zwelgen zonder voorbehoud. Maar wat ik vergeten was: men moet in november niet naar een concert gaan. En zeker geen concert voor voornamelijk mensen van mijn leeftijd met hun bovenste knoopje nog los. Mijn god, meteen al de inzet van de cello’s – zo teer, zo mooi, zo sensueel beloftevol – ontging me finaal. Verkoudheid, Fons. Overal om mij heen. Iemand schuin achter mij blééf er zelfs bijna in en raakte zodanig verstrikt in minuten lang gehijg, gesnotter, gehoest, genies en onderdrukt gerochel, dat twee andere toeschouwers, ik schat van een jaar of 75, ongelooflijk de slappe lach kregen gedurende het hele Kyrie Eleison. Empathie, hè? Is er niet meer. Heb jij wel eens twee bejaarden de slappe lach zien krijgen om het versterven van de derde? Moet je bij ons in de Vereeniging komen. Toch schonk ik ze over mijn schouder heen een hartelijke knipoog, want al met al vond ik het onverwacht gezellig. Zo huiselijk ook, ken je dat? Er werd weinig tot niet geboerd door het publiek – zo zijn we dan ook wel weer – maar verder deed de sfeer me echt denken aan vroeger bij ons thuis. Vreemd genoeg de sopraan ook. Bij ons deden ze principieel niet aan klassieke muziek en toch versterkte de sopraan mijn nostalgisch sentiment tot in de hoogste regionen. Af en toe, tussen al het gehik en gesnotter door, hoorden wij haar buitengewoon mooi zingen, maar vooral zagen wij ook allemaal hoe zij, telkens als ze weer overeind moest voor een partij krachtpatserij bóven koor en orkest uit, een slok water nam, opstond, met beide handen van links naar rechts en terug haar décolleté omhoog sjorde en één heup naar voren wierp om haar voeten beter in het podium te verankeren voor het lanceren van de volgende raket. Kortom het voorgenomen genieten vond beslist wel plaats, met of zonder cello’s. Maar heeft de evolutie deze dingen werkelijk zo bedoeld?

Intussen kunnen we er met z’n allen niks aan doen, hè? Dat is het schrijnende. Als iedereen wat beter had opgelet, was het ook met mij nooit zover gekomen. Dan had ik me happy gevoeld bij de norm, was ordentelijk getrouwd, in alle redelijkheid ook weer gescheiden en nu in het bezit van tenminste drie lieve kleinkinderen. Maar ze lieten mij vroeger, zonder ook maar één gedachte aan bijsturen dan wel hardhandig ingrijpen, hele middagen alleen met:
Pietje Bel
Pim Pandoer
De Kameleon
De Jongens van Bontekoe
Dik Trom
Thijs de Jongen
Heer Bommel
Tom Poes
de Donald Duck met:
Donald zelf
Dagobert Duck
Guus Geluk
Willy Wortel
Mickey Mouse
Goofy
Knabbel en Babbel
Wolfje
Hiawatha
Kwik, Kwek en Kwak
(en heel, heel soms, kwam Katrien Duck om de hoek kijken, maar daar vond ik niks aan, Katrien)

Jongens en mannen, allemaal vrijgezel, met zin voor avontuur. Wist ik veel van Cissy van Marxveldt, Leni Saris en Top Naeff met hun warme gezinnen, kokette vriendinnenclubjes en romantische verliefdheden. Dat zulke dingen bestonden vertelden mijn ouders mij niet. Die vertelden mij überhaupt niks, alleen dat je goed moest zijn voor anderen, anders zwaait er wat. En daar las ik toch echt weinig over bij Pietje Bel, de Jongens van Bontekoe of Pim Pandoer. Die deden allemaal op hun manier aan struggle for life en survival ot the fittest en dat beviel goed. Had mij als kind één andere blik vergund op wat het leven van een vrouw verwacht en ik was te paard, te zwaard, per duikboot of bolide op zoek gegaan naar kokette vriendinnenclubjes, romantiek en een warm gezin.

Daarentegen heb ik nu een partner, die op haar 68-ste nog in alle ernst overweegt  voorzitter te worden van vier middelgrote moestuincomplexen. Zoiets stoms heeft zelfs Katrien Duck nooit bedacht. Met het gevolg dat ik om de haverklap voor massa’s moestuinlui koffie zet, met tafels en klapstoeltjes sjouw en stroopwafels, pepernoten en chocola insla, want vergaderen moet natuurlijk hier, in de keuken van de voorzitter. ‘Als ik in vredesnaam maar wel ongestoord voetbal kan kijken’, eiste ik afgelopen maandag, toen er 20 man werd verwacht. ‘Tuurlijk,’ antwoordde zij, ‘die mensen komen de keuken niet uit, het gaat om een belangrijke bestuurswisseling.’ Echter nog niet stond het 1-0 voor de Duitsers of reeds viel het Hoofd Beheer Kleine Tuintjes op weg naar de wc mijn kamer binnen. ‘Oh, wat zit je hier leuk in je hangouderenstoel. Hé, wat is dit voor boek? Ach Harari, dat heb ik ook gelezen! Wat vind jij ervan? Zet hem anders even op pauze, de tv, ze hebben het in de keuken over Zwarte Piet.’

En wie faciliteert de hele wantoestand weer gul en belangeloos, met al zijn joviale charmes, kennis en competentie op het gebied van websites bouwen voor zoveel moestuincomplexen als je maar wilt? Hè?

 

Hobby’s, hou ze voor jezelf

We waren een weekje op de Wadden. Als wij op de Wadden zijn vogelt mijn vriendin met Willem van Staatsbosbeheer. Willem is al meer dan 45 jaar, vanaf zijn vijfde, met vogels in de weer en herkent nu elke soort aan een ritseltje in het riet. Dat is knap, zul je zeggen, want de zwartgekraagde bontbekplevier bijvoorbeeld zit uit prinicpe niet in het riet. Dat is hem te min, de zwartgekraagde bontbekplevier wenst nog niet dood aangetroffen te worden naast een kneu, blauwborst, rietzanger, bruine kiekendief, geelgors of karekiet. De roerdomp wel, die vindt het daar juist fijn. Willem weet precies waar de roerdomp zit, die ene die Nederland nog rijk is. En als mijn vriendin dan thuiskomt, na zo’n lange middag door haar kijker turen op het eiland, pakt zij haar opschrijfboekje en noteert, puntje van de tong tussen de lippen, nauwgezet alle 23 soorten die zij heeft gezien, waarbij de overlap met het rijtje van de dag ervoor gemiddeld 21 blijkt. Begrijp jij zo’n hobby? Ik niet. Je mag er bijvoorbeeld, als de soorten worden bijgeschreven, niet doorheen praten. Je mag ook bij de roerdomp niet zeggen dat het, van de twee keer dat ze die hebben gezien, waarschijnlijk drie keer een blauwe reiger was, want dat is heiligschennis. Willem is heilig. En daarmee de hobby. Net als de moestuin. Daar heeft ze niet een Willem voor, maar toch: geen leven zonder moestuin en geen moestuin zonder leven. God wat heb ik daar, om de boel voor algehele verflensing te behoeden, een tijd en energie in verspild. Want mijn vriendin moet ook zingen hè, hobby nummer drie, bij voorkeur midden in de zomer in Italië, terwijl hier de aardappels, boontjes, bieten, bessen, courgettes, pompoenen en zo voort, bloemkool, peen en broccoli, natuurlijk wel water moeten hebben. Ik vind een hobby tot daaraan toe, maar een ander, laat staan je bloedeigen partner, meeslepen in het verderf gaat te ver. Scrabbelen. Hobby nummer vier. Vind ik bijna nog erger dan de moestuin. Maar scrabbelen kan niet in je eentje, dus wie legt er toch z’n ziel weer bloot met woorden als lusteloos, down en klotezooi? ‘Ja, maar dan krijg je vanavond broccolitaart, hmmm!’ Omkoopbeleid, hobby nummer vijf. Zelden iemand ontmoet die de jezuïtische kneepjes van het manipulative relatiemisbruik zo tot in de finesses beheerst. Ze zegt dat ze dat van de nonnen heeft geleerd.

Nee, dan mijn hobby’s. Die zijn de eenvoud zelve en komen erop neer dat ik vooral tv kijk. Boer Zoekt Vrouw, waaraan ik een intense hekel heb – met die mensonwaardige competitie, de okselkrampende interviewmaniertjes, deelnemers die jaar in jaar uit nooit eens iets interessants zeggen – zie ik steeds weer reikhalzend tegemoet. En dan niet campy, maar gewoon oprecht benieuwd naar wie er bij wie past en waarom niet, of waar ik op welke wijze in zou grijpen. Maar daarmee is er wel weer een hap uit mijn leven. Midsomer Murders, anderhalf uur per aflevering en te debiel voor woorden: neem ik op. Zij het niet altijd natuurlijk, alleen als het tegelijk met Boer Zoekt Vrouw is. Voetbal: mijn halve bestaan mee verdaan. Ook al die nabeschouwingen hè, het hele verschijnsel hakt er gewoon enorm in. Maar van voetbal word je vrolijk, met name na een partijtje scrabble, dat so wie so al minder ondraaglijk wordt met voetbal in het vooruitzicht. Afgelopen zaterdag is er bovendien, zeggen alle nabeschouwers, met de 3-0 tegen Duitsland, een nieuwe lente in het Nederlandse voetbal aangebroken, dus wat wil ik nog meer? Dat het niet eigenlijk 4-1 voor de Duitsers had moeten zijn misschien. Maar ja, een kniesoor die stilstaat bij kwaliteit. ‘Heb je Paul Witteman gezien?’ vraagt mijn vriendin dan wel eens. Nee Fons, een mens moet wel keuzes maken.

Hoewel? De Wereld Draait Door. Daar kwam ik vorige week per abuis in terecht. D.w.z. mijn zapgedrag wordt gestuurd door een oeroud algoritme waar ik als modern en bovengemiddeld verlicht iemand opmerkelijk weinig over te zeggen heb. Ze hadden sterrenkundige Vincent Icke te gast. In DWDD moet alles snel, sneller, snelst. Wat was er vóór de oerknal, Vincent? In één minuut graag!

Nou heb ikzelf die vraag in 1989 reeds afdoende beantwoord in Paso Doble, maar ja, als niemand dat leest, blijft zo’n kwestie telkens maar weer opkomen.

Wij zijn van aardse stof gemaakt en kunnen alleen maar aards stoffig denken, in begrippen – met de oerknal gegeven – van tijd, ruimte en causaliteit. Oorzaak en gevolg Fons, schrijf het anders even op. Met die oerknal ontstonden ruimte en tijd. En geen nanoseconde eerder, want er was geen eerder. Ergo de vraag naar wat ervóór was is zinloos. Net zoiets als wat er ten noorden van de Noordpool is. Niks. Ten noorden van de Noordpool is niks, want buiten de aarde bestaat geen oost west thuis best.

Dat van die Noordpool had Vincent Icke uit Paso Doble gehaald. Hij maakte er alleen de Zuidpool van, anders is het zo openlijk plagiateus, maar verder was het voorbeeld volledig van mij. Matthijs van Nieuwkerk en Jan Mulder echter wilden zich er niet bij neerleggen. Met name de eerste bleef maar doorsnateren. Snel, sneller, snelst, maar wel diezelfde vraag uittentreure herhaald. Even leek bij Mulder, met het voorbeeld van de Zuidpool, iets van een lichtje op te gaan, maar hij bracht het niet verder dan een knikje dat geen knikje wilde zijn en een mond die ontheemd openhing. Punch drunk, Jan. Teveel kopballen in z’n goeie tijd. Intussen eiste Van Nieuwkerk nog steeds een uitleg van Icke die één minuut mocht duren. Icke weigerde. Hulde voor deze gast. Ik vraag me overigens af waarom die überhaupt in zo’n programma wil verschijnen.

Nee, geef mij dan die boeren en hun vrouwen maar. Die zeggen weliswaar niks bijzonders, maar schreeuwen ook hun eigen domheid niet zo schaamteloos de huiskamer in. In het vervolg zap ik om DWDD en mijn eigen algoritmes heen.

Wij moeten keuzes maken. Wij. Jij, ik. Tenminste nu nog, zolang we niet onsterfelijk zijn. De geleerden twisten tegenwoordig over het jaar waarin de mens dat doel bereikt zal hebben – 2100 of 2200 – maar zijn het er unaniem over eens dat het onherroepelijk gaat gebeuren. Alleen niet voor ons, jou en mij. Ik weet niet wat we hebben misdaan, maar wij gaan nog gewoon ouderwets dood.

Niettemin prijs ik mij net zo gelukkig als jij jouzelf deed in jouw laatste mail, maar vinden wij beiden al dat geluk ook wel angstwekkend. Te mooi om waar te zijn immers. Dit kan toch niet doorgaan zo? En dus worden we, met dat de tijd voor ons meer gaat dringen, almaar koortsachtiger gelukkig. We moeten keuzes maken. Er is teveel voor de tijd die ons nog rest. Welke informatie bijvoorbeeld wil ik nog wel en welke toch echt niet meer? Zo probeer ik zolang mogelijk niet te weten wat een podcast is, terwijl zijn hijgende schaduw mij reeds in het nekvel klauwt. Er treedt almaar meer gelukstress op, tot wij serieus een burn out overwegen.

Nee, daar mag je niet mee spotten, dat weet ik ook wel.
Maar iemand moet het doen.