To chat or not to chat

Ik ga straks op Heidepol liggen. Dat is een natuurbegraafplaats. Het is tevens een prachtig park, waar mensen vrijelijk mogen wandelen. Men heeft mij daar een gat toegewezen, waar ik met gods wil in word gelegd. De keuze is vooral gemaakt met het oog op de macht der gewoonte van andere mensen. Dan kunnen ze gewoon over mij heen blijven lopen.

Zelfmedelijden, nou dat weer. Wie loopt er allemaal over mij heen dan? Nou, iedereen, dat zeg ik net. Hier in huis sowieso. Ik begin een zin, mijn vriendin walst er overheen en de visite luistert verder naar mijn vriendin. Ze praten er ook mee, dat is nog goorder. Tegen mij wordt meestal volstaan met een vriendelijk knikken of meewarig hoofdschudden, overwegend dat laatste. Het komt misschien ook, behalve door mijn aanwezigheidszwakke existentie, door de doofheid in de medeklinkers. Onlangs ging het met de visite een hele tijd over zeewier en ik dacht almaar ‘Okay, ik snap niet helemaal wat de bedoeling is, maar dat komt vanzelf, rustig maar’. Intussen gooide ik wel minstens één interessant weetje over zeewier op tafel – ‘het is een prima alternatief voor vlees’ – maar daar werd niet op gereageerd, dus dat liet ik verder maar. Na een minuut of tien bleek dat ze het over Schakespeare hadden. ‘Een goed alternatief voor vlees’ zei ik toen nog maar eens. Ze knikten vriendelijk en zeiden dat ik dat al gezegd had. Ze horen het wel Fons, maar ze luisteren niet, zo zit het eigenlijk, maar ik vond toch dat ik me er redelijk uit had gered, weinig tot geen gezichtsverlies anders dan het gebruikelijke ‘we weten niet wat precies, maar er is iets mee’. Dus schreef ik hierover, in de hoop ook misschien op een woord van troost, aan mijn filosofische vriend en die antwoordde: ‘Toch moet je ook de Verzamelde Werken van Zeewier niet onderschatten!’ Ach, wacht maar jullie allemaal, tot mijn Tinnitussonate in d klein klaar is, dan praten jullie wel anders. Er komt ook een refrein bij:
‘Tinnitus’ (d f b )
‘Niet echt iets om in stilte aan te lijden’ (b a g f g a a g f g d).
Sterke tekst, hè.

Hoe is het als bestuurslid GL in de plaatselijke politiek? Luisteren ze naar jou wel een beetje? Heb je het manipuleren al enigszins onder de knie? Vast wel, maar dat ga je hier niet toegeven natuurlijk. Mijn Voorschotense vriendin bezoekt nu ook julllie website regelmatig. Misschien gaat ze wel op jullie stemmen, al heb ik daar een hard hoofd in, want iedere keer zeg ik dat dit moet en iedere keer vinkt ze, vriendelijk dan wel meewarig gestemd, weer iets christelijks aan. Bij de Stemwijzer kom ikzelf ook wel tegen heug en meug altijd uit bij de CU, maar daar hoef je je toch niks van aan te trekken? Je kunt toch ook gewoon het puntje van je potlood lekker lang boven de Partij voor de Dieren laten zweven en dan heel vet aangezet de PvdA rood maken? Iemand moet het doen. Zelf zijn ze er te kleurloos voor.

Op Fbook woedde een discussie over welk ingrediënt men beslist niet duldde in zijn maaltijd. Er waren er veel die geen koriander beliefden. Lever, ook zoiets. Ik zei: ‘Mayonaise! Onvoorstelbaar wat mensen elkaar aandoen met behulp van mayonaise’. Daar kwamen verontwaardigde reacties op, in de trant van ‘Zeker nog nooit van tomatenketchup gehoord’. Of: ‘Wat kun jij overdrijven zeg, denk eens na over wat Putin de mensen in Oekraïne aandoet’. Dus ik nadenken. Maar ik kwam er niet uit. Het lijken verstandige tegenwerpingen. Maar tomatenketchup haalt het toch qua vuile intenties niet bij mayonaise, waarom geloven mensen al die fake info? En van Putin kun je zeggen wat je wilt, maar tot nog toe dringt hij niemand mayonaise op. Ik denk wel dat hij het achter de hand houdt, als laatste troef zeg maar. Zijn dreigementen blijven bewust nog vaag, maar je voelt aan je water: één kleine misstap en we worden ermee doodgegooid.

Ik was binnen het Erfgoed wat te loslippig geweest en begonnen over dat boek van Wengrow en Graeber ‘Het Begin van Alles’, erg dik, meer dan 600 dichtbedrukte pagina’s, maar ook erg goed. Harari maar dan beter zelfs, volgens Rutger Bigmans, of hoe heet hij. Eigenlijk moet ik in gezelschap liever mijn mond houden. Hier in huis kan het als gezegd geen kwaad, maar daarbuiten in het Erfgoed soms wel. Zo vroegen ze me voor hun leesclubje. Maar ik ben bang voor leesclubjes. Ze wilden weten waarom. Dat kon ik niet goed beargumenteren, want al die boeken die zij noemden, van Hoetmer en Hoogenberk via Knausgard tot Franzen en Yanagihara, van gebakken suikerspin via egoplum tot winterkost met mayo, had ik ook gelezen, dus wat nou bang? Maar ik dacht aan het eveneens genoemde ‘Bakkersliefde’ en ‘Bloemen in de Winter’ die ik allebei niet kende en hield voet bij stuk. Bovendien, als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Dus heb ik Gummbah’s kijk op de kwestie, die van de week in de Volkskrant stond, even rondgestuurd. Kijken of ze nou zelf nog wel verder willen…*

*Deze blog is geschreven door ChatGPT met als vraag ‘heeft mijn leven zin?’ en als trefwoorden Heidepol, zeewier en mayonaise.

Kerstgedachten

Onze wandelvriendin Bertien heeft een schildpad, die Jan heet en onlangs 40 is geworden. Toen hij 16 was, legde Jan echter een ei. Dat schiep voor heel het gezin een moment van herbezinning, dat zoals de meeste momenten van herbezinning nergens toe leidde, zodat dezelfde Jan vorige week na 24 jaar opnieuw een ei kon leggen. Twee eieren in totaal heeft Jan in zijn leven tot nu toe gelegd. Dit is nieuws vers van de pers, doe er iets nuttigs mee.

Intussen maakte A. het huis weer eindejaarspremiewaardig. Ik trof haar in die hoedanigheid op Kerstmiddag, nadat zij ’s ochtends was begonnen met het optuigen van de kerstboom, daar enigszins laveloos onder aan. Hij was nog maar half klaar, er hingen al wel lampjes in, maar verder nog geen bal.
‘Wat is dát nou, A.?
‘Klelstboom.’
‘Ja, dat zie ik ook, maar hij is nog niet bepaald af, hè?’
‘Dee…’
Ze had één keer en nog een keer en toen voor alle zekerheid een derde maal geproefd van de Rümtopf. Rümtopf maakt zij zelf. Het is hier in huis een proces van maanden achtereen secuur kelderbezoek om telkens weer wat vruchten van het seizoen toe te voegen aan de rum in de grote glazen pot onder de schap met de weckflessen en het resultaat is de ene keer sterker dan de andere. Ditmaal beviel het in ieder geval A. echt goed.

Zelf heb ik dezer dagen een pianostuk gecomponeerd op de drie lage tinnitus-drilboortonen in mijn ene oor. In het andere zit alleen maar één heel hoog volcontinue schril geluid, als van een wanhopige parkiet in een kooitje, daar kun je niks mee op een piano. De drilboortonen zijn tenminste duidelijk een d, een g en een b. Deze eerste tinnitussonate is nog in d-groot, maar die in mineur volgt beslist, want van tinnitus word je uiteindelijk stapelkrankjorum. Bij één van de heden welig tierende vrijwilligersrecepties sprak ik de technicus, ik meen dat hij Sjaak heet, van het geluid en het licht bij de lezingen en de expo’s in ons kasteel en die had ook tinnitus, zei hij, want ik begin altijd ieder gesprek over tinnitus, mensen worden er horendol van. Maar Sjaak had geen last van de tinnitus, zei hij, want hij negeerde het! Gewoon niet op letten, haal die focus weg, denk aan fijne dingen, lichtschakelaars, beamers, powerpointpresentaties. Maar ja, hij had maar één toon en hij wist niet eens welke, zo kan ik het ook. Verder was hij paragnost. Hij kon heel veel voorzien van wat er aan narigheid stond te gebeuren met allerlei personen. Met mij ook? Ja, met mij ook, maar hij vertelde zoiets nooit aan iemand. Wel zou hij mij, als hij in een soort sneaky preview zag dat ik straks buiten overreden zou worden, aan de praat houden, net zolang tot in ieder geval het spitsuur voorbij was. Dus ik probeerde ‘dan ga ik nu even buiten een luchtje scheppen’, waarop hij zei ‘dat kun je gerust doen’. Toen ben ik maar naar het hoekje met de bitterballen gegaan, waar het heel gezellig was, al riep iemand besmuikt ‘Je komt hier toch geen koffie zetten?’

Vlak vóór die receptie namelijk was er weer zo’n bestuursvergadering, waar ik al hondsmoe aankwam, maar toch koffie moest zetten, terwijl achteraf bleek dat die koffie al gezet was en klaar stond in een thermoskan. En onder het tellen van de koffieschepjes praatte de penningmeester honderduit tegen mij over zijn bloeddruk, zijn hartslag, het aantal stappen dat hij dagelijks zette en zijn in het algemeen als laconiek te omschrijven levenswijze i.t.t. die van zijn zuster Leida, die erg angstig was aangelegd, steeds vergeetachtiger werd en ook regelmatig een gat in haar hoofd viel, bij voorkeur in de badkamer, want daar zaten 5 handgrepen, twee bij het bad, drie in de douche en één naast de w.c. en dan greep ze juist omdat het er zoveel waren nogal eens mis, dan dacht ze dat er drie bij het bad zaten of twee bij de wc, zodat ik al met al de tel van de koffieschepjes kwijtraakte, meende dat ik teveel in het filter had gedaan en daarom nog twee duizelige kopjes water bij in de langzaam vollopende kan goot, dus let wel: niet in het waterbijvulgedeelte, maar rechtstreeks in de kan, omdat ik niet geslapen had, waarna de andere bestuursleden binnendruppelden en de koffie niet meer als zodanig herkenden. De secretaris kon zelfs turend in zijn kopje de bodem zien. Nou ja, zo moeilijk was dat ook weer niet, want de penningmeester had als eigen bijdrage aan de vergadering espressokopjes klaargezet, zodat iedereen in één slok door de ellende heen was en vervolgens, voor de verandering eens eensgezind, géén tweede kopje meer hoefde. 

Dat vergeetachtige zoals bij Leida kan lastig zijn. Maar wanneer wordt het dementie? Ik vergeet vaak een naam, zoek een passende uitdrukking en vind die niet, weet niet meer wat ‘Frya’ ook alweer precies voor crisis was. Zolang je nog wel onthoudt dat je iets kwijt bent, lijkt het me geen dementie. Maar als je niet meer weet dat je zoiets wel ooit geweten hebt, wordt het précair. Ik zoek een ander woord, maar alleen précair wil me tebinnenschieten. Penibel?

Ik begon te tobben over de zuster van de penningmeester. Ze is nog maar 68, dus dat misgrijpen in de badkamer komt te vroeg. Dat is meer iets voor als je 83 bent, eerder niet. Dus ik dacht hoe kan ik haar helpen met al die handgrepen, want ik ken haar wel een beetje, maar niet goed genoeg om daar eens even aan te bellen, de oubollige echtgenoot opzij te duwen en haar een truc te leren, de truc van het houvast.

Volgens A. ben ik een pleaser en wel enigszins misprijzend uitgesproken, omdat ik mij teveel inleef in de sores van anderen teneinde zelf aardig gevonden te worden. Eigenbelang dus, zoals alles tenslotte. Die laatste observatie is wel juist, maar in dit geval is de oorzaak een andere. Ik verplaats me vooral graag in anderen, omdat ik dan zelf niet zo hoef te leven. Maar leg zoiets maar eens uit aan mensen die dronken onder een kerstboom liggen.

Ben je al bij de tweede uroloog geweest intussen? Staat er een nieuwe operatie op de rol? Heb je erg veel last van die stenen? Moet ik eraan komen?

Stenen des aanstoots

Veel dank voor je twee laatste blogs. Ik heb ze met veel plezier gelezen. Mis jij de Jehova’s? Betekent dat, dat jij de deur voor ze open doet en een gesprek begint? En waar hebben jullie het dan over? Jezus? De eeuwegeit?

Laat ik beginnen met je belangrijkste vraag te beantwoorden: ja ook wij hebben een dorpspomp. Hij staat in het meest schilderachtige straatje van ons dorp. Hij wordt niet meer als pomp gebruikt maar alleen nog voor de krantenrubriek “Ontmoeting bij de dorpspomp”. Min of meer bekende dorpelingen worden, poserend bij de pomp, uitgehoord over hun hobbies, favoriete gerechten en andere wezenlijke zaken en dat wordt dan in de krant gezet.

Dorpspomp

Sinds jongstleden zaterdag ben ik officieel bestuurslid van de afdeling van GroenLinks in ons dorp. Er zit ook werk aan vast, want nu coördineer ik meteen de verkiezingen voor de provinciale staten, althans wat ons dorp daaraan moet bijdragen. Want het zijn de lokale afdelingen, die de provinciale verkiezingen (15 maart, noteer dat alvast) moeten uitventen. Ik heb net folders en posters besteld, en binnenkort gaan we met een campagnecommissie bedenken hoe we vrijwilligers gaan organiseren die de folders gaan rondbrengen.

Ik neem aan dat jij het WK volgt? Zie jij alle wedstrijden? Is A. nu voetbalweduwe? Of valt dat allemaal wel mee? Ik heb alleen een enkele samenvatting gezien. Louis van Gaal gelooft dat Nederland wereldkampioen kan worden. Ik geloof steevast dat ze het ook niet kunnen worden. Ik hoor het wel tegen die tijd.

Ik weet niet of ik het al verteld had, maar C. is een middag per week vrijwilliger in het Scheveningse museum Beelden aan Zee. Af en toe ga ik even kijken, vooral om C. aan het werk te zien, en ook omdat ik dan een mooie fietstocht door de duinen kan maken, en dat is dan weer goed voor mijn algemeen welzijn. Ik ga niet voor de beelden. Ik ken eigenlijk niet veel mooie beeldenkunst. Meestal vind ik het tentoongestelde maar niks of mwah. Vaak is de reis aangenamer dan het doel.

Sculptuur van Elmar Trenkwalder (Oostenrijk)

Nee, dan Balenciaga. Die zagen wij van de week in het Kunstmuseum. Hij maakte kleding voor vrouwen, alleen zwart. Dan werd je niet afgeleid door de kleuren, en kwamen vorm en model beter tot hun recht, vond hij. Er was veel van Balenciaga te zien in het museum, maar ze hadden de verlichting erg schaars gehouden. Allemaal zwarte kleding in schaarsverlichte zalen dus. Het was vast allemaal erg mooi, maar ik denk dat ik veel gemist heb.

Het is denkbaar dat er een medische ingreep in het verschiet ligt. De uroloog heeft in één van mijn nieren veel nierstenen waargenomen, en omdat van mij bekend is dat die niet vanzelf worden afgevoerd, moeten ze er via een operatie uit worden gehaald. Hij heeft mij  doorverwezen naar een andere uroloog, die weet hoe je dat moet doen. Daar ga ik volgende maand op bezoek, en dan hoor ik het wel. Voorlopig ben ik dus weer nierpatiënt. De vorige steenverwijderingsingreep was acht jaar geleden, dus dat is zo’n beetje de frequentie waarmee dat bij mij moet plaatsvinden. Als ik 80 ben moet ik weer, denk ik. Nu eerst maar deze ingreep, en daarna maar eens kijken of ik de 80 kan halen . . . 

Brigadier Snuf ziet het licht… of niet?

Mijn ene vriendin, die van de twin peaks, was liever prenataal gebleven en nog liever preconceptueel. Ze vindt haar depressies en eigenlijk het hele leven bijna niet te doen. Maar preconceptueel blijven, zo hield ik haar voor, dat krijgen we niet meer voor elkaar, tenzij de tijd zich omdraait in zijn graf. Alleen dan valt er misschien preventief nog wat in te grijpen. Maar makkelijk wordt het niet. Dus heeft ze besloten toch maar gewoon T.S. Eliot te blijven lezen, haar favoriete dichter (‘In my beginning is my end.’).

Intussen lees ik de autobiografie van Jeremy Denk. Dik, dikker, dikst. 500 Bladzijden vol frappante détails over componisten, hun symfonieën, pianoconcerten, sonates, préludes, cantates, mazurka’s en zo voort, impromptu’s. En al die détails wil ik dan verifiëren, of in ieder geval begrijpen. Dat betekent één bladzij lezen en vervolgens anderhalf uur zoeken op Internet en luisteren of het waar is wat hij zegt over opus 488 van Mozart of maat 5 in de eerste prélude van Bachs Wohltemperierte Klavier, je weet wel, waar Gounod zijn Avé Maria op losliet. Het is allemaal waar en ik begrijp ineens waarom sommige passages in bepaalde stukken me altijd zo ontroerden. Het blijkt die ene dissonant gevolgd door dat bijna bevrijdende septiemakkoord en ingelost in een simpel C-groot. Je moet er maar opkomen! Ik hoor van mezelf niet eens in welke toonsoort iets geschreven is. Dus ik zal de rest van mijn leven nodig hebben voor het verwerken van dit prachtige boek. Als ik het überhaupt red. Of, om nog eens met T.S. Eliot te spreken: ‘Hell is oneself’. Of, om ook nog eens met J.P. Sartre te spreken: ‘l’enfer c’est les autres’. We hoeven niet te kiezen, allebei klopt en is zo waar als een koe.

Ooit, tijdens mijn studietijd, had ik kort verkering met een aantrekkkelijke jongen om te zien, type Jonathan Franzen of Godfried Bomans. Hij had conservatorium gedaan en speelde grandioos – dat was in die jaren het modewoord voor vet gaaf, awesome of episch – piano. Gevat was hij ook, sprankelend zelfs, hij paste naadloos in het plaatje van de man die ik mijn broer altijd al als zwager cadeau wilde doen. Ik schreef naar Zambia: ‘Han, ik heb een ideale zwager voor je: hij houdt van kaarten, is ad rem, belezen en muzikaal, wacht ik sluit een foto bij’. Zo gezegd, zo gedaan, maar toen bleek koud twee weken later de potentiële zwager van mijn broer VVD’er te zijn en maakte ik het uit. Ja, je kunt toch niet je hele leven verdoen met een VVV’der? Dat is toch een te wezenlijke persoonlijkheidsstoornis? Ik heb het mijn broer niet eens meer voorgelegd, want die had waarschijnlijk gezegd: ‘Als hij klaverjast: aanhouden!’ En dan zat ik ermee.

Mijn opa, de smid van zijn dorp, vredestichter bij uitstek, de man van de wijze raad, bij wie iedereen aanklopte ingeval van conflicten, geldzorgen of andere problemen, was vermoedelijk ook VVD’er. Wat wil je, een middenstander, dan mag het. Maar een pianoleraar? Dat is toch nergens voor nodig? Ik weiger zoiets te begrijpen.

En wat ik ook niet begrijp: wat heeft Corona met de Jehova’s gedaan? Nu het virus volledig is geaccepteerd, kunnen die toch ook wel weer aan de deur komen? Niet één meer gezien, ik mis ze.

Wel belden gisteren, 14 november jl., twee agentes van politie aan. Ze waren donkerblauw gekleed, maar zo te zien niet echt in uniform. Degene die het woord deed, klapte meteen geroutineerd haar ID-kaart uit. De ander ging als brigadier Snuf ijverig, met haar bebrilde neus zo ongeveer in haar mobieltje, notities staan maken. Maar hoe moet ik nou zien of zo’n legitimatiebewijs echt is? Wat zou jij doen in zo’n geval? De vraag was of wij een camera aan het huis hadden. Want er was op 8 november jl. een misdaad gepleegd in onze wijk. Nee, wat voor misdaad en waar precies, daarover mochten ze niks zeggen. De woordvoerster wees op ons alarmlampje in de hoek tussen garage en voordeur. Zo’n lampje, je kent het wel, dat aangaat als een stalker zijn lettres d’amour ’s nachts te ver door de brievenbus de gang in mikt, waarna een hels kabaal uitbreekt en wij in onze onderbroek naar de wapens grijpen. Was dat een camera? ‘Ja’ zei ik, want ik wist zo gauw niet meer hoe je nee zegt. ‘Maar hij doet niks’ voegde ik er wel aan toe. ‘Ach’ antwoordde zij begripvol, ‘een dummy dus.’ Brigadier Snuf keek even fronsend op uit haar mobiel, maar zakte er ook meteen weer in terug, waarschijnlijk om ‘een dummy’ te noteren. En nou vraag ik me af Fons, of een agent van politie niet meteen ziet dat zoiets geen camera maar een lampje is! Dus nou twijfel ik of het niet gewoon twee criminelen waren, die de buurt op camera’s verkenden. En of wij dus binnenkort een inval kunnen verwachten. De officiële reden voor het onderzoek luidde, dat ze wilden checken of de misdadigers ergens op camera stonden. Dat klonk op zich wel goed, vond ik. Toch heb ik voor de zekerheid ook maar een melding van e.e.a. gemaakt via de website van de plaatselijke politie. Want ik vind teveel mensen, eigenlijk iedereen, altijd aardig, dat blijft een aandachtspunt, vindt mijn vriendin. Ze heeft gelijk. Telkens opnieuw trap ik in de val. Zo dom. De hel, het zijn echt de anderen plus ikzelf.

Niettemin vond ik het al met al een geslaagde middag.
Nou maar hopen dat ook de Jehova’s gauw weer komen.

Stralen of bestraald worden

Wel gefeliciteerd Fons met je bestuurslidmaatschap van Groen Links Voorschoten en ook met het Progressief Akkoord dat er is gesloten over leuke dingen voor de mensen in het dorp. Auto’s op het plein zijn inderdaad een affront voor het gemoed, er hoort in het midden een degelijke, ouderwetse pomp te staan. Bij ons is die verplaatsbaar. Als je boven zijn putje zwengelt komt er echt water uit de pomp, maar als er markt is, wordt hij in zijn geheel naar de rand van het plein verplaatst. Alles is mogelijk in dit prachtige dorp. Hebben jullie überhaupt wel een pomp? Anders is een overdekte muziekkoepel ook mooi en goed hoor, doen jullie maar zoals het jullie het best lijkt.

Onze pomp. Op zon- en feestdagen gaat zijn tuitje omhoog.

Afgezien van dat tuitje gebeurt hier weinig. Er is uiteraard een hoop gedoe in het culturele circuit, maar waar niet? Er zijn ontieglijk veel besturen in ons circuit. Ik ken zelf dan ook weinig tot geen dorpelingen die niet in een bestuur zitten. Of vlak eronder, in een themagroep, ook heel belangrijk. De secretaris van één zo’n bestuur nu toonde zich onlangs uitermate geschoffeerd door een vrouw uit een ander bestuur, die hem kennelijk met iets had ontriefd. Ik had deze secretaris al eens eerder tijdens een cultureel verantwoorde – ik kom zelf uitsluitend naar cultureel verantwoorde evenementen en de kermis, want daar willen de verpleeghuisrolstoelers standaard ieder jaar naartoe, regen en wind geen bezwaar, wij zijn niet van suiker mens, kom duw eens wat dóór – filmavond bij de entree van deze vrouw nogal luid horen verzuchten ‘oh, dat creatuur, affreus, alleen al hoe ze daar weer binnen komt stevenen!’ En vervolgens, wat zachter achter zijn hand tegen mij: ‘Ik ben tánkcommandant geweest, maar deze vrouw… ach, woorden schieten mij tekort!’ Ik begreep hem wel. Hij is ongeveer de liefste oudere van dagen die ik ken, maar ook wel gedeeltelijk opgetrokken uit een voor zijn generatie nog gangbare mengeling van minachting en vrees voor voortvarende vrouwen in het publieke domein. Dat zijn gewoon lastige dingen voor een tankcommandant.

Verder hebben wij net als jullie natuurlijk vrienden, familie en kennissen die akelige ziektes krijgen. En daar zit evenmin iemand bij die zoiets ‘verdiend’ heeft. Maar het meest confronterend vind ik toch altijd weer de dementerende bejaarden die ik elke week in dat tehuis tegenkom. Die klampen zich aan je vast, om met wanhopige blik en betraand gezicht te vragen waarom zij zo gestraft worden, waaraan ze dit verdiend hebben, of jij niet wat kunt doen om ze uit deze gevangenis te bevrijden. Nee, dat kun je niet. ‘Alstublieft, alstublieft, helpt u mij toch!’ Ja, maar hoe?

Ik heb dan minder moeite met degenen die bij mijn binnenkomst reeds beginnen te roepen dat ik een godvergeten klootzak ben, een halve gare zool, sodemieter toch op met die schijnheilige kliek van je, die gore gestapobende… hoer! Dit zijn uitingen binnen een goed doordachte variant op de hedendaagse complotbubbelagressie en als zodanig inschikkelijk tegemoet te treden. ‘Daar hebt u wel een punt meneer Gubbels, ik kan u eigenlijk alleen maar gelijk geven, het is één grote gestoorde zooi hier, maar gaat u nou even aan de kant alstublieft, ik moet naar huiskamer 2.’ En dan kan het gebeuren dat zo iemand zomaar verandert in een galante heer, die met een grijns op zijn gezicht opzij stapt, terwijl hij zachtjes maar met instemming zijn nieuwe mantra ‘grote gestoorde zóói’ herhaalt.

Mijn ene vriendin – uitbestraald en wel – is intussen gelukkiger dan ooit, omdat ze twee jaar terug een man heeft leren kennen met wie ze honderd hoopt te worden. Het stralen doet ze sindsdien zelf, net als hij. Van de week zaten ze op een terrasje in Zutphen met thee en gebak, toen er een mevrouw naar hen toekwam die vroeg of ze met hun eigen toestel een foto van ze mocht maken, want ze had nog nooit twee mensen zo blij met elkaar zien zijn. En nou denk je ‘Die ging er dus met hun mobieltje vandoor’, maar dat was niet zo, en gisteren liet die vriendin het resultaat zien. Zelfs die foto straalt. Bovendien lijken ze uiterlijk op elkaar, net broer en zus. En nog meer bovendien: hij is vijf jaar jonger dan zij. Dat is één van zijn vele mooie eigenschappen, intelligent, bescheiden, muzikaal, geestig en aantrekkelijk om te zien. Knappe mannen van 65 op zoek naar een vrouw verlangen er meestal één die toch wat jonger is, bij voorkeur een jaar of 30. Hem interesseert haar leeftijd niet in het minst. ‘Ach’ zeggen ze allebei, ‘Hadden wij elkaar maar vijftig jaar eerder ontmoet!’

Wat ik ook zo prettig aan ze vind, maar dit echt terzijde, is dat ze wel op vakantie gaan, maar niet teneinde een rollercoaster aan ervaringen op te doen, nieuwe herinneringen te maken of om de haverklap what the fuck te roepen. Van dat modieus hersenloze taalgebruik krijg ik zappend langs de zenders telkens weer schimmel en blaasjes rond de neusvleugels. Van mijn partner mag ik daarom niet meer zappen, alleen nog Gardeners World kijken. Ze heeft inderdaad zelf geen last van schimmel of blaasjes, maar bijvoorbeeld wel van brandend maagzuur door al die chocola, die kennelijk nodig is om Garderners World uit te zitten.

De andere vriendin ondergaat op haar beurt momenteel haar 15 bestralingen en wel bewonderenswaardig opgewekt, vooral gezien haar verleden van periodiek terugkerende hevige en langdurige depressies. Ik hoop met heel mijn hart dat ze daar nu niet nog eens in terechtkomt. Fietsend door verlaten dreven het uitschreeuwen van ellende, hele dagen in de kelder van haar appartement op de grond zitten, ogen dicht, hoofd tussen de knieën, je hebt er vaak nauwelijks een idee van hoe anderen, aan wie je zo op het oog niets ziet, eraan toe kunnen zijn. En dan ook nog die energiekosten in het vooruitzicht. Maar voorlopig krijgen ze haar niet klein. Ze heeft het douchen al teruggebracht tot eens in de zoveel tijd: ‘Anders wordt het ook zo’n sleur’.

Sleur staat in een kwaad daglicht. Waarom is mij niet helemaal duidelijk. Zelf floreer ik er nogal bij – 10.000 stappen op een dag, 2,5 uur krant lezen, 3 kwartier pianospelen – het kan mij eigenlijk niet sleurig genoeg zijn. Maar dat bazuin ik maar niet rond. De mensen zien het zo ook wel.