Over Linie Plukker

https://nl.wikipedia.org/wiki/Megchel_Doewina

Misselijk, moe en koppijn

Mijn lieve nicht van 80, die veel narigheid heeft meegemaakt in haar leven, maar gelukkig niet bepaald aan anorexia lijdt, was misselijk met Pasen. Wel stond er een grote schaal met paaseitjes op tafel. En elke keer als ze daar langs kwam, aarzelde ze even, dacht dan ‘Nou ja, ik ben toch al misselijk’ en nam er nog één. Deze houding wou ik mij ook eigen maken. Je kon er veel aan hebben, leek mij.

Eerst echter gingen we een midweek naar Münster, teneinde daar omheen te fietsen. In de folder stond namelijk: ‘Ook bospaden, wandelpaden en landweggetjes zijn geïntegreerd in het fietspadennetwerk en bieden zo veel afwisseling in het zadel.’ Die afwisseling in het zadel, daar was het ons om begonnen. Verder kan ik je ervan vertellen dat de fietstochten rond Münster niets voorstellen. Rond jouw Voorschoten en mijn Wijchen zijn ze 9 keer mooier, hetgeen neerkomt op 10 keer zo mooi, maar leg dit soort subtiliteiten maar eens uit aan de media. Ik heb het geprobeerd, de Volkskrant voorop, ze snappen het niet. Dus blijft ons land de gekste statistische uitkomsten als ‘feit’ voorgeschoteld krijgen. Waar iemand 150 reed, reed hij ‘drie keer meer dan’ de toegestane 50. Ik hoop dat Wilders hier iets aan gaat doen.

Maar die botanische tuin van Münster!
Wat kun je daar naast de ingang fijn op een bankje zitten!

Er kwamen twee botanische nerds op af, man en vrouw van om en nabij de 60 en zeer waarschijnlijk broer en zus, want ze liepen allebei met de rechtervoet keurig recht vooruit, maar de linker duidelijk een graad of 20 naar buiten gericht. Niet heel erg dus, maar ik zie zoiets, omdat ik na mijn heup opnieuw moest leren lopen en vooral moest oefenen om mijn ene voet weer gewoon recht vooruit te zetten. Dat had ik vermoedelijk vóór die tijd ook nooit gedaan, maar nu moest het van de fysiotherapeut, die het werkelijk een schande vond, zover als ik die ene voet naar buiten draaide. 

Ik wees mijn beide reisgenoten, wier namen ik hier niet zal noemen, ook niet bij wijze van vermoeiend ‘maar ze heten zus en zo’ op de Duitse voeten. Ze gaven mij verbaasd gelijk: wat een opmerkelijk loopje! Dat was niet slim. Je moet nooit nogal opvallend naar mensen hun voeten turen en dan verbaasd beginnen te lachen. Dus vroeg de mannetjesnerd aan mij:
– Um Gotteswillen, was ist mit unseren Füszen?
– Nichts, nichts, aber wir dachten Sie sind vielleicht Geschwister.
– Sind wir auch, das ist meine Schwester.
– Dachten wir uns schon.
– Aber warum denn?
– Ja, man sieht es kaum, wirklich wahr, aber ich achte auf Füsze seit ich eine neue Hüpfe habe und von Neu an wieder laufen lernen muszte.
– Eine was?
– Hüpfe.
– Meinen Sie vielleicht Hüfte?
– Es ist durchaus möglich dasz ich Hüfte meine.
– Aber was ist denn los mit unseren Füszen?
– Gar nichts ist mit Ihren Füszen los, wer es nicht weisz sieht es gar nicht, so unbedeutend ist es, aber Ihr linker Fusz steht etwas nach auszen beim Gehen und der linke Fusz Ihrer Schwester macht genau das Gleiche.

Ach, werkelijk? Nou, dan zouden ze daar eens op letten, einen schönen Tag noch.

Ze wandelden verder en bestudeerden nu hoe ze dat eigenlijk precies deden. Toen keek de broer over zijn schouder naar mij, stak een duimpje op en riep:
– Sie haben ja Recht, unsere Füsze sind tatsächlich etwas nach auszen gerichtet.
Hij grijnsde breed, ik grijnsde breed terug en riep:
– Ich weisz! Das sieht man doch aus groszer Entfernung schon!
Gelukkig schoot zijn zuster nu ook in de lach, terwijl mijn beide reisgenoten, wier naam er minder toe doet dan ooit, zich dood geneerden. Maar dat weten ze vantevoren, dan moeten ze hun afwisseling in het zadel maar met iemand anders zoeken.

Ik vraag me bij al deze dingen in Duitsland eigenijk alleen af of ik wel de juiste naamvallen gebruik. Daar moet je maar het beste van hopen (hopfen).

Terug in eigen land vind ik, even afgezien van wat je over die oorlogen in Oekraine, Gaza en Soedan voorgeschoteld krijgt, de twee allerergste dingen op tv The Passion en het Songfestival. Het is niet eens edelkitsch, het is pure wansmaak. Het Songfestival nog het minst erg misschien. The Passion kan niet eens verexcuseerd worden als campy bedoeld.

Weet je wie wel campy doet? Gini, mijn rolstoelbejaarde. Er is eigenlijk geen ordentelijk gesprek meer met Gini te voeren, dus rol ik haar elke week naar een groot commercieel moestuinencomplex een eind bij ons vandaan, beheerd door een officiële staf, i.c. Monique. Daar toon ik Gini de voortgang in de verschillende groeistuipen van groentes, bloemen en fruit. Ze komt zelf van een boerderij, dus veel van die stuipen herkent ze nog. Op het aardbeienveld zag ik afgelopen dinsdag 14 mei één grote, al dieprood gerijpte aardbei. Op het plukken van aardbeien staat in dit complex de doodstraf, dus die ene mooie bood ik Gini aan. Nee, hoefde ze niet, ze wou liever een hele handvol en die dan vanavond op de boterham. ‘Gini, dat kunnen we niet maken, die aardbeien zijn van andere mensen, daar mogen wij niet zomaar een handvol van plukken.’ Ze keek me wat wezenloos aan. Maar ja, je bent nooit te dement om te leren, denk ik altijd maar. Een poosje daarna komen we Monique zelf tegen. Met haar maak ik altijd een uitgebreid praatje, omdat dat leuk is voor Gini. Die zit de hele dag maar in zo’n verpleegtehuis en heeft alleen aanspraak aan mensen die nog verder heen zijn. Dus ik zeg tegen Monique, ik zeg: ‘Jullie aardbeien beginnen ook te komen, het ziet er goed uit allemaal’. Monique knikt verguld en Gini zegt:
‘Aardbeien zijn heerlijk, ik wou dat ik een aardbei had.’
‘Maar lieverd’, zeg ik, ‘Zonet wou ik die ene voor je plukken en toen hoefde je niet!’
‘Nee’, zegt zij verontwaardigd, met een schuin oog op de nu enigszins fronsende Monique: ‘Dat kun je toch niet máken!’

Intussen zit onze eigen moestuin weer vol Coloradokevers, vanaf begin mei al kill ik me ongelukkig. Om maar te zwijgen over al die nareizende eitjes, die zich aan de onderkant van het blad in de illegaliteit verzamelen. En de ouders maar doorfokkken hè, ze lopen zich te vermenigvuldigen waar je bij staat, zo onbeschoft, typisch buitenlanders, het is en blijft tuig, aanpakken die handel, weg ermee, oprotten, saneren, uitzetten, eigen kevers eerst. Maar ja, die eigen kevers zijn weer hartstikke lui, die zitten alleen maar te zitten, slechts een enkeling waagt zich aan een stukje stam van de bessenstruik, de rest kijkt lamlendig toe. Zelfs de Hollandse werkbij voert geen klap meer uit tegenwoordig. Eten en drinken gaat nog wel, maar moe, moe…
Op de vraag ooit van een journalist ‘Hoeveel mensen werken er nou eigenlijk in het Vaticaan?’, antwoordde Paus Johannes XXIII: ‘Ik hoop de helft’.
Nou, daar kun je bij onze eigen insecten wel naar fluiten.
Kijken hoe Wilders dit probleem aanpakt.

Want we zitten dus sinds gisteren met Wilders.
Zeg jij hier eens iets zinnigs over graag.

Ook in onze eigen moestuin maak ik evengoed erg veel praatjes met allerlei mensen, wier namen ik evenmin als die van mijn reisgenoten zal noemen, in dit geval omdat ik ze allemaal door elkaar haal. Maar gisteren voerden we een echt goed gesprek, de beheerder van ons complex en ik, over het absolute taboe op chemische bestrijdingsmiddelen en waarom er dan toch Roundup is aangetroffen in de tuin van Joop en Anja.
‘De meeste mensen trekken zich nergens wat van aan’ foeterde hij.
‘Zo is het, Henk’ antwoordde ik.
‘Hij heet Theo’, zei Goos, vanuit de tuin naast de onze.

Ik kon me wel weer voor de kop slaan, Fons.
Dus deed ik dat, ik had toch al hoofdpijn.

(Uitzetten die tv)

Weet je wat het is, Fons? Er komt inderdaad altijd wat tussen als het om onze in kleine kring af en toe heus wel met een schuin oog waargenomen blogs gaat, maar bij jou is dat meestal iets leuks met kunst, terwijl ik meer iemand ben met deliria.

Vannacht naar de wc gaand, hoorde A. vanuit mijn slaapkamer luid en duidelijk: ‘Honderdzestien komma zeven dan wel honderd vierendertig’. Niet helemaal duidelijk is waarover dit ging, maar in mijn droomslaap bereken ik wel vaak samengestelde interest op geld dat ik niet heb. Dus als ik het straks toch nodig heb voor de te verwachten zorgkosten, moet ik het lenen tegen een rente die samengesteld zal zijn. Zoiets moet je kwantificeren. Dat doe ik dan ook grondig en beredeneerd, maar dan is A. allang weer onder zeil. Je weet dat ze dingen nooit goed uitluistert.

Dit soort nog steeds deliriumachtige taferelen moet ook een rol hebben gespeeld toen ik, natuurlijk om jou te helpen in je computeraankoopellende, kennelijk de winkel belde. Want je schrijft: ‘Eén van het winkelpersoneel beweerde zelfs, dat mijn bank grote betalingen gewoon blokkeerde, totdat jij ging bellen, geirriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd, om zeker te weten dat jij het was die zijn eigen geld wilde uitgeven, en niet iemand anders.’

Ik herken me hier zonder meer in, Fons. Geïrriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd, het is mijn standaard staat van zijn. En uiteraard wilde ik zelf graag weten of ik het wel was die die winkelbediende zijn eigen geld wou uitgeven. Want van zulke neigingen moet ik echt op de hoogte zijn voor ik er samengestelde interest over ga berekenen. Hoe dan ook doet het mij deugd dat de computer je nou zo bevalt. Daar doen we het toch voor. Alleen herinner ik me er zelf niks meer van.

Waaraan ik mij geïrriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd vanaf het begin ook al groen en geel erger: de Lübachlachband. Die is, tenminste in mijn beleving, ook nog allengs ridiculer geworden qua misplaatst enthousiasme voor de flauwste grappen en gênant armoedige woordspelingen. Dus zet ik tegenwoordig gewoon het geluid helemaal uit, om al dat rabiate geschater-om-niets van een ingeblikt publiek te ontwijken. Maar ja, dan krijg je dus metterdaad aangenaam verstilde beelden, maar wel met daaronder groot de tekst: (Gejuich en applaus). Dingen tussen haakjes trekken altijd meer aandacht dan zonder, dus dat lach-of-ik-schiet-effect blijft. Wat te doen? Helemaal uit die tv en lekker wegdromen bij de laatste pianosonate van Schubert? Eigen beeld en geluid eerst?

Zo heb ik, om mijn drieledige ontsteltenis over de eigen-volk-eerst-verkiezingsuitslag de baas te worden, bedacht dat een kwart van ons volk altijd al xenofoob, racistisch en rechts reactionair, tegenwoordig verpakt als anti-migratie – lees anti-vluchteling – was, maar dat dit excellente trekje vroeger onder water bleef bij verkiezingen, omdat die toen nog vooral op sociaal-economische thema’s werden gefocust, terwijl nu, waar de overgrote meerderheid, bijna 100% van ons volk, het materieel redelijk kan redden, iets cultureels het item wordt en wel onze eigen identiteit, ons Neêrlands bloed, dat van vreemde smetten vrij door onze ad’ren vloeit. Korte zinnetjes zijn fijner om te lezen. Dat weet ik ook best. Maar je moet wel ook afwisselen. Dus de VVD, in de persoon van de angstaanjagend leugenachtige Yesilgöz – zelf een nareisvluchteling – met haar, zoals intussen bleek, bewuste nareis-op-nareis-bombarie, dacht, door de vluchteling als bedreiging van die identiteit te framen, flink wat stemmen te winnen, maar calculeerde de verkeerde kant op en verloor juist een deel van de eigen kiezers aan de PVV. En daar hebben ze een grote ijskast, waarin de baas nu alles wegstopt wat hem lief is – ook zichzelf binnenkort, als hij geen lid meer wenst te zijn van een partij die hem als lid accepteert – zolang het maar buiten bereik van de graaiende vluchteling blijft. Die zetten we eerst de grens weer over, scheer je weg, laat je hier nooit meer zien, dan kijken we daarna wel wat er één voor één terug uit de koeling kan.

Waar zou bij al die eigen volksidentiteit eigenlijk ons ‘Hoor wie klopt daar, kind’ren? Hoor wie klopt daar, kind’ren? Hoor wie tikt daar zachtjes tegen het raam? ’t Is een vreemd’ling zeker, die verdwaald is zeker, ‘k Zal hem gauw eens vragen naar zijn naam!’ gebleven zijn?

Andere koffie…

Onlangs, in de kliniek, bij de controle van mijn nieuwe heup, kon ik de neiging om op iedere zich daartoe lenende vraag – wanneer gebruikt u pijnstilling?, doet u deze oefening wel?, hoe vaak hebt u last van dit probleem? – te reageren met ‘evely molning’, maar mijn tot wintermantelzorger gemaakte gaf de antwoorden, dus dan houdt het op. Die zegt trouwens bij almaar meer dingen – sokken aantrekken, voeten wassen, mijn pc aanzetten – dat ik die nu zelf weer kan. Ze vergeet daarbij dat ik die dingen vroeger ook al niet goed kon. Mijn pc bijvoorbeeld is heel oud en de aanknop moet je heel hard en vaak en onvermoeibaar lang induwen (onze hulp zegt dan ‘dat moet bij mij ook’, maar zulke dingen zeggen wij niet), met bij voorkeur een kleerhanger van hout, voordat hij rammelend in werking treedt. Terwijl ik echt nog erg vermoeibaar ben, dat wordt onvoldoende ingezien. Mijn eigen antwoord overigens lag almaar op het puntje van mijn tong, omdat mijn filosofische vriend mij had verteld over een Engelse journalist in China, die veel belang stelde in het democratisch gehalte van het land. Hij vroeg een willekeurige voorbijganger in Beijing: “Do you often have elections?”, waarop die vriendelijk antwoordde: “Yes, evely molning!”. 

Laten we trouwens maar niks van de Chinezen zeggen. Ik verhaspel tegenwoordig alles, zoals jij vroeger met je ‘Hoertelijke graten, Maria bid voor Fons’. Alleen doe ik het niet expres, jij wel en Chinese obers vertrouw ik bij nadere overweging ook niet meer, met hun ‘Wilt u blootje gezond?’

Visite: Wat is een epicolaps?
Wintermantel: Ze bedoelt apocalyps.
Visite: Maar waarom zegt ze dat dan niet?
Wintermantel: Ze heeft een delirium gehad.

Had ik je al verteld over mijn delirium, Fons?
Maar laten we beginnen bij het begin: de heupoperatie.

Vóór zo’n operatie krijg je een infuus. Krijgen is best een ontspannen woord, als je had gezien hoe dat ging. De verpleegkundige van dienst, een heel aardige vrouw, Els heette ze, kon het infuus niet in de aderen op mijn hand krijgen. Twee, drie keer probeerde ze het, ene hand, andere hand. ‘Ach, wat vervelend, dat gebeurt me anders nooit!’ Zelf vond ik het ook behoorlijk vervelend, maar wat je dan zegt, inwendig vloekend, is: ‘Geeft niet hoor, shit happens’. In de arm lukte het ook niet. Uiteindelijk besloot ze een kindernaaldje te nemen en dat lukte goddank wel.

Toen kwam de anaesthesioloog eraan. Die had me, vermoedelijk om verdere afbladdering van mijn verstand te voorkomen, al eerder aangeraden géén roesje te wensen, laat staan een algehele narcose. Wel kwam hij me nu een ruggenprik ‘geven’. Ook al zo’n eufemistiche term. Want tegen die gift had ik echt opgezien. Ten onrechte: ik herinner me nu al niet meer dat ik er ook maar iets van voelde. Misschien komt dat door de belabberde toestand van mijn hersens, maar dan zou ik me toch eigenlijk sowieso niks meer moeten herinneren. Het tegendeel is het geval.

Ik weet bijvoorbeeld nog goed hoe ik op die vrijdag de laatste heup van de dag was en daarmee van de week. Dus de chirurg maakte korte metten. Dat zijn ook de beste metten vaak. Om 15.00 uur de operatiekamer in, om 15.55 er weer uit, dat was tenminste zaken doen. Ik kon alle gesprekken, achter het scherm tussen boven- en onderlijf, goed volgen, want geen roesje, en genoot volop van het gezaag, geklop en geboor aan gene zijde. Na drie kwartier gingen ze sollen met mijn onderlijf. Het werd met grof geweld naar links, naar rechts en weer terug gegooid – waarschijnlijk, bedacht ik goedkeurend, om te kijken of de nieuwe prothese er niet al te makkelijk weer uit schoot. En ze denken vast ook ‘die voelt toch niks’, maar mijn bovenlijf weet heus wel wat mijn onderlijf aan het doen is. Heen en weer zwiepen!

Rond half 6 weer op mijn kamer – het onderlijf nog volledig verlamd – kreeg ik de warme maaltijd geserveerd. Dat bleek toch wat vroeg na de operatie. Rond 7 uur voelde ik dat ik waarschijnlijk dood ging. Er was geen ic in deze kliniek, wel een zojuist aangetreden nachtwacht, gespecialiseerd in het panisch bellen met het UMC in Nijmegen. Maar gelukkig kreeg ik op het randje van de afgrond toch nog vat op de alarmknop. Er kwam iemand aangesneld die riep dat mijn bloeddruk wegviel. Nou is die standaard al vrijwel afwezig, dus wegvallen is een groot woord, maar daar kwam de nachtwacht al opgepiept, er gebeurden dingen met het infuus, aan de bloeddruk viel niks meer te meten en iets in mij besloot dan in vredesnaam iedereen maar onder te kotsen. Halverwege mijn door de lucht vliegende toetje vergezeld van een paar hapjes vis en wat puree, begon ik weer bij zinnen te komen en wees de nachtwacht op de dekschaal van het dienblad, om daarin verder te kotsen, volgens verwachting helemaal tot en met de soep. Dat vond ze een goed idee. Maar in de dekschaal bleek een gat te zitten, voor de duim wellicht, dus de nachtwacht werd opnieuw de dupe. Temeer toen ze geheel zonder ruggenspraak met mij de dekschaal had geruild tegen een klein plastic spuugzakje, terwijl ik dacht dat qua bereik de dekschaal nog steeds meedeed. Dus het meeste kwam buiten het zakje en opnieuw over de nachtwacht. Je begrijpt nu wel beter waarom er zoveel hulptroepen op dat schilderij van Rembrandt staan. Ze zijn soms echt nodig.

Vervolgens wilde ik tot geen enkele prijs verder nog lastig zijn en werd de hele nacht wakker gehouden door een zwaar soort bezemveeggeluid, dat iedere 20 minuten het eventueel wat indommelen adequaat bestreed. Tegen zessen echter hield ik het niet meer en belde nog een keer. Een tamelijk chagrijnige verpleegkundige – ook in knie- en heupklinieken heb je op het intimiderende af chagrijnige zorgverleners – snauwde dat het zware veeggeluid een bekend aircoprobleem was, dat het uit de badkamer kwam, dat je het gewoon uit kon zetten en dat je de badkamerdeur bovendien dicht kon doen. Ik probeerde me iets naar haar toe te draaien op mijn zij, maar dat ging nog niet.

De nacht in de kliniek – je moet er de volgende dag weer uit – mocht ik absoluut geen slaapmiddel gebruiken. Dat had ook weinig zin gehad met die dominante airco, maar de volgende ochtend vroeg ik aan een verpleegkundige of ik thuis wel mijn gebruikelijke slaapmiddel weer mocht gebruiken. ‘Ja hoor’ luidde het antwoord, ‘Dat kan gerust’.

Twaalf dagen ging dit goed. Dat wil zeggen afgezien van de optredende obstipatie, die zes dagen achtereen klysma’s nodig maakte vanwege de betonnen wal die zichzelf steen voor steen voor de achteruitgang had opgeworpen. Van boven kun je veel met koffie doen, ook met vezels en fruit en de haastig aangeschafte lactulosestroop. Maar op de betonnen wal kun je nog zoveel koffie gieten, het helpt geen zier, je dient de wal van de andere kant te benaderen. Het uiteindelijk reutelende resultaat deed onweerstaanbaar denken aan mijn goeie ouwe pc.

In de twaalfde nacht thuis raakte ik in een delirium. Zelf kreeg ik daar niets van mee, maar een ooggetuige kwam vanuit haar kamer over de gang heen op het lawaai afgestommeld. ‘Je stond middenin je kamer, zonder krukken, in het donker,’ aldus het verslag achteraf. ‘Alles wat op je nachtkastjes, het bureau en de stoelen lag, had je op de grond geveegd. De volle waterkan had je omgekeerd boven je bed, desgevraagd omdat de 25 nietjes in je wond dorst hadden gehad. Je kon geen kant meer op en riep: “Hoe kom ik hier ooit weer uit, kan iemand mij zeggen hóe?” Ik dacht: kijk, zo word je dus als je dement bent. “Wat wil je dan eigenlijk”, vroeg ik. Je wou naar de wc. Dus ik gaf je de krukken aan, maakte de weg naar de deur vrij en liet je passeren. Even later kwam je zonder krukken, maar nog steeds slaapwandelend, terug van de wc. Je wou mij helpen het matras om te draaien, natte kant naar beneden, droge lakens erop. Ik heb je zolang tegen de muur gezet. Eenmaal weer in bed gemanoeuvreerd begon je over politiek, maar dat heb ik niet helemaal meer afgeluisterd, sorry.’

Nou, maar dat geeft toch niks, Fons. Ik luister ook niet altijd tot het eind naar haar. Dan hoor ik, al op weg naar mijn keukentje, de wegkwijnende klanken nog wel, met altijd een paar ‘je moet zus en je moet zo’s’ erin, maar begin intussen zelf vast met koffiezetten.

Al googlend kwam ik er de volgende dag achter dat de vanuit de kliniek voorgeschreven en meegegeven pijnbestrijder Naproxen absoluut niet samen met mijn ook door de kliniek genoteerde slaapmiddel gebruikt mag worden. Mensen raken, aldus internet, van die combinatie in coma of sterven zonder omhaal. Om dit soort misverstanden voor andere patiënten te voorkomen, moet je ze wel melden, liefst in de vorm van een algemeen advies zonder man en paard te noemen, dus dat heb ik netjes gedaan, vooral blij dat ik dat überhaupt nog kon.

Over klysma’s gesproken: een alternatief georiënteerde vriendin van mijn filosofische vriend vertelde eens op een verjaardag, waar ook hij aanwezig was, dat zij en haar partner zichzelf tweewekelijks een koffieklysma toedienden, omdat dat zo purerend werkte op de darminhoud. Er volgde een gepaste stilte op deze bekentenis, tot iemand vroeg: ‘Met suiker en melk?’

Ach, had mijn vrouw maar één zo’n been…

Geen nieuws, goed nieuws

Onlangs zag ook ik pas dat jij een blog had geplaatst en wel al op 28 november. Ik kreeg daarvan evenmin bericht en onder het bovenstaande motto bracht ik dus al die tijd geen bezoek meer aan onze site. Jammer, jammer, want jouw verkiezingspraatje is een schot in de roos: zogenaamd zwevende kiezers zijn gewoon onbenullig rechts. Daarom dient een echte democratie een burgerschapstest te eisen, vóórdat wie dan ook zou mogen stemmen. En op alle scholen moet het vak burgerschapskunde onderwezen worden, waarin je leert hoe je zinnig redeneert, wat je zoal moet weten en waarover je zoal na moet denken om zo’n test met goed gevolg af te leggen.

Overigens was het niet uit teleurstelling dat ik niks ’terug’ blogde, maar vanwege mijn heupoperatie op 8 december en een kleine reeks van tegenslagen die daarop volgde en in de verte wel wat leek op ‘operatie geslaagd, patiënt overleden’, zodat de associatie zich opdrong met die vermaarde verzuchting ‘God is dood, Marx is dood en zelf voel ik me ook niet zo lekker meer’. Nu gaat het wel weer, dus misschien is er toch nog hoop.

Terug naar de verkiezingen: ik vond de berichtgeving in de reguliere, want andere volg ik niet, media bedenkelijk welwillend en zogenaamd ‘neutraal’ over het succes van de Tegenpartij en stuurde eind november de volgende boodschap naar de lezersbrievenrubriek van de Volkskrant.

PVV – NSB
Ligt het aan mij, of durft niemand hardop te zeggen wat de PVV is: een raszuivere nationaal-socialistische partij, die – behalve partijorganisatie en troepenvorming – ideologisch in niets verschilt van onze vooroorlogse NSB?
Kleine minderheden als zondebok zoeken voor de eigen rancune en frustratie; kunst, cultuur, rechtspraak, journalisten, intellectuele ‘elites’ willen ausradieren; eigen volk eerst, nationaal en individueel eigenbelang voorop. Zelfs het parlement, de gekozen basis van onze democratie waar de PVV zelf nu zoveel profijt van heeft, typeren als nepparlement: wat betekent dit? De PVV heeft geen leden, alleen maar een leider. De NSB was idolaat van Hitler, de PVV voelt zich helemaal thuis bij Poetin. Allemaal peanuts?
Zoals er nu, zonder enige nadruk op al die analogieën, in de media over geschreven en gesproken wordt, is het alsof de PVV een fris hedendaags verschijnsel is, nog geen 20 jaar oud, merkwaardig los van onze bloedeigen vaderlandse geschiedenis.
Begripvol vergoelijken is te gevaarlijk voor een zo langdurig bevochten democratie als de onze.’

Kennelijk vond ik onze democratie toen toch nog wel de moeite waard. Zoals gebruikelijk werd mijn ingezonden brief niet geplaatst – alleen die over mijn bereidheid mee te doneren aan een redelijk maandsalaris voor Ayaan Hirsi Ali werd wel ooit geplaatst, waarna ik van het desbetreffende voorstel nooit meer iets vernam – maar je ziet er evengoed aan dat jij en ik het in ieder geval aardig eens zijn, ook buiten onze afkeer van al dat stompzinnige gezweef. 

Het doet mij deugd dat jij over je verkiezingsdepressie heen bent. Jouw actiefoto gaat mij beslist van mijn eigen somberheid afhelpen. Ik kan van dat plaatje geen genoeg krijgen. Zelfs A. werd er vrolijk van, terwijl die toch bijna bezwijkt aan haar mantelzorg voor mij.

Goed ook dat je mede die functioneringsgesprekken met fractieleden gaat voeren. Lijkt mij voor beide partijen heel informatief en zinvol. Ik heb eigenlijk geen idee of dit soort gesprekken veel wordt georganiseerd in andere partijen.

Van de PVV weet ik alleen dat de partijleider erg enthousiast is over het enige lid…

Stedentripjes en retourpakketten

Ook wij hebben een stedentrip gemaakt. In Antwerpen ditmaal, zeer de moeite waard. Wie mij vooral opvielen waren de orthodoxe Joden – mannen met vlechtjes aan weerszijden, hoge hoeden, zwarte pakken, witte overhemden – die op elektrische stepjes door de stad sjeesden. De orthodoxe vrouwen en meisjes zag ik eigenlijk alleen in de Joodse wijk zelf en niet één op een stepje. De mannen compenseren dit soort lamlendigheid door zich levensgevaarlijk tussen het consumerende publiek door te schieten. Mijn filosofische vriend vertelde mij dat er zelfs een kleine subgroep orthodoxe Joden bestaat, die zich aan geen enkele vorm van werelds gezag wenst te onderwerpen, laat staan aan verkeersregels. Als hij zich per auto door de Joodse wijk begeeft, schakelt hij standaard terug naar de eerste versnelling om stapvoets verder te gaan, want menige wijkbewoner steekt de weg over zonder op of om te zien, volledig vertrouwend op de Heer in het verkeer. De vrouwen zijn eveneens heel donker gekleed en dragen lange zwarte maillots, hun haren bedekt, niet zoals Amerikaanse Jodinnen met een pruik, die dan meestal aanzienlijk wellustiger oogt dan hun eigen kapsel, maar gewoon met een hoofddoekje. Ook de kleine jongens dragen volwassen mannenkleding en zelfs peuters in hun wandelwagentje hebben al vlechtjes en een keppeltje. Zóveel Joden zag ik, dat ik even dacht dat de andere Belgen veel beter voor ze gezorgd hadden dan wij. Maar ja, die van ons zijn liberaal en kleden zich niet afwijkend. En wij hadden natuurlijk dat perfecte Bevolkingsregister, daar zijn Belgen veel te slordig voor. Ik dacht trouwens lange tijd dat die mindere overlevingskans bij ons aan de registratie door de Joodse Raad lag, maar ik moest beter mijn best doen, vond mijn filosofische vriend, met het mij verdiepen in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Dus keek ik onlangs naar ‘Willem en Frieda’, een prachtige documentaire van Stephen Fry, over twee homoseksuele en dus nogal veronachtzaamde, maar buitengewoon dappere verzetshelden. Willem Arondeus werd geëxecuteerd, Frieda Belinfante kon ontkomen.

Verder bezochten we zo ongeveer alle musea en natuurlijk de kathedraal, waar we na drie kwartier zelf rondkijken op een werkeloze gids stieten, die ons een bevlogen privérondleiding gaf. Erg aardig. Dan denk je dat je al heel veel hebt gezien in die kerk en blijkt vervolgens wat je bijvoorbeeld in zo’n kruisafneming van Rubens allemaal niet hebt gezien. Ik had niet gezien dat Maria Magdalena a) duidelijk als publieke vrouw was afgebeeld, omdat b) Jezus met zijn voet haar half ontblote schouder aanraakte, wat je niet deed bij een fatsoenlijke vrouw, ook al was je nog zo dood en c) de opening van haar gewaad kennelijk aan de voorkant zat en niet zoals het hoorde bij private vrouwen op de rug en d) zij een gele sjaal droeg, wat op zich al voldoende zei. Dzjiezus!

Daarna moesten we er via het winkeltje weer uit en vroeg ik, altijd lang en breed weifelend over dit soort dingen, aan de baliemedewerker of de gids beledigd zou zijn als we hem iets gaven. Hij vroeg een omschrijving van de gids en zei: ‘Nee, die beslist niet, die vindt dat leuk’. Dus wou ik de kerk weer in, maar dat ging niet zomaar: draaihek, eenrichtingsverkeer, u moet de kerk nu uit, ja? Stond die baliejongen op, haastte zich voor ons uit naar het hekwerk en trok dat, tot verbazing van het publiek, in zijn geheel tot boven zijn hoofd uit de grond. Belgen zijn namelijk aardiger dan Nederlanders, dus toen konden we weer naar binnen. Daar misten we de gids op een haar na, omdat die eigenlijk juist graag weer naar huis wou. Maar het kwam allemaal goed en hij was blij met onze gift. Ook zoiets. Hoeveel moet het dan zijn? Drie kwartier gidsen, wat denk jij? Ik denk € 20, maar de meningen waren verdeeld en dus werden het er 10.

Slapen intussen deed ik in die drie nachten al met al ongeveer 7 uur. Dat is voldoende om op de been te blijven, maar niet om zelf te concluderen dat de sluiting van Maria Magdalena’s gewaad dus aan de voorkant zat. Die chronische slapeloosheid, waarover ik het niet meer zou hebben, is genetisch bepaald, van onze vader geërfd door mij en mijn oudste broer. Mijn vader ging van pure wanhoop ’s nachts vaak fietsen. Maar wel elke dag om 7 uur op, om – dikwijls tot ’s avonds half 11 – te werken. En ik heb hem nooit goed gezegd hoeveel ik van hem hield, kutkind. Maar er werd vroeger toch niet zoveel waarde gehecht aan het oordeel van een meisje, daar sla ik qua wroeging dan mijn slaatje wel weer uit.

Onlangs kocht ik online wandelsportschoenen ad € 130. Even oefende ik er binnenshuis mee in de gang. Ze veerden heerlijk, precies wat ik zocht. Twee dagen later ging ik erop naar buiten. Eerst lekker en toen bleken ze te klein. De volgende dag probeerde ik het nog eens. Ze knelden mijn beide grote tenen blauw. Ook zat er nu hier en daar wat zand onder de zolen. Dat was er wel weer af te krijgen, maar toch vond ik dat ik ze nu niet meer terug kon sturen. Dus deed ik ze cadeau aan een vriendin met een maatje kleiner. Het idee, hè? Dat is een beetje vergelijkbaar met mijn ontsteltenis, toen een collega eens vertelde dat ze haar auto had ingeruild bij haar garage zonder te melden dat er iets mis was met het linker achterportier. Dat ging soms onderweg zomaar open of bleef juist vast zitten als je eruit wou. ‘Maar waarom heb je dat niet gezegd?’ ‘Omdat ik er dan minder voor terugkreeg.’ ‘Maar nu zadel je de volgende eigenaar met een verborgen gebrek op.’ ‘Dat is dan zijn probleem.’ Onbegrijpelijk vind ik zoiets, erger dan gebruikte schoenen terugsturen als nieuw. Dat had ik overigens gewoon moeten doen, temeer toen ik onlangs in Lubach een under cover bij Bolcom hoorde vertellen wat hij bij zijn werk aan de retourpakkettenband zoal had aangetroffen. Ik noem hier slechts een vibrator ‘waar de poep nog aan zat’ of een koffer met vieze sokken en aan het handvat een label van de luchtvaartmaatschappij waarmee de koffer op vakantie was geweest. Het verdienmodel van die online bedrijven blijkt dat ze de retourspullen die er nog prima uitzien als nieuw naar een volgende klant sturen en de dingen met poep doorsluizen naar een vaste opkoper. Goed systeem, niks meer aan doen. Maar echt, je schaamt je voor je eigen volk. Het zal wel weer massaal VVD gaan stemmen. Onze superieure identiteit immers loopt tezeer gevaar met al die vluchtelingen.

Intussen is A. met haar zus een dag of vier naar Berlijn geweest. Op de terugreis met de onderhoudsachterstallige Deutsche Bundesbahn hadden ze veel vertraging, uren zelfs. De conducteur verontschuldigde zich per intercom voor het ‘Schrott’ waarin hij de reizigers moest vervoeren. Ze liepen dan ook midden in de nacht vast in Duisburg, waar een zoon van haar zus ze dan maar per auto op kwam halen. Zo’n ervaring werpt wel een geheel nieuw licht op onze eigen zo vaak beschimpte NS. Maar uiteindelijk gaat het natuurlijk niet om de bestemming…