Wat je moet doen om van je geld af te komen

Weet je wat het is Linie? Er komt iedere keer wat tussen, als ik een blog wil schrijven. Eerst was er de nieuwjaarsreceptie in het museum. Beelden aan Zee bedoel ik, van 5 tot 7 uur. Ik mocht met C. mee. Daar heb ik geen spijt van gehad. Het was om te beginnen leuk om C.’s collega’s te ontmoeten, maar vooral was ik onder de indruk van de vrijgevigheid van het museumbestuur. Er was eten en drank in overvloed. Ik heb me stevig tegoed gedaan aan de lekkere hapjes en wijntjes, zodat een warme maaltijd die dag niet meer nodig was. En je mocht vrij rondlopen in het museum, maar vanwege de tentoonstelling had dat weer niet gehoeven. Soms denk ik: waarom staat dit eigenlijk in een museum . . .

En toen moest ik een nieuwe computer kopen. Dat doe ik elke pakweg 10 jaar. Bedenken welke je wilt hebben gaat nog wel, maar dat ding in de winkel betalen is een crime. Met mijn pasje lukte dat niet. Ik ontdekte dat je eerst online moet instellen, dat je een groot bedrag van je rekening mag afhalen, anders lukt het niet. Maar toen ik dat gedaan had lukt het nog niet! In de winkel kreeg ik het advies om de alarmlijn van de bank te bellen. Toen ik iemand aan de lijn had vroeg die mij het hemd van mijn lijf om te controleren of ik het wel was. En toen ze daarvan overtuigd was zei ze dat ik mijn computer mocht kopen. Ik ben in totaal drie keer naar de winkel geweest voordat ik hem eindelijk in mijn handen had. In de winkel wist men mij te vertellen dat mijn bank altijd moeilijk deed over het betalen van een computer. Dat was voor de veiligheid. Eén van het winkelpersoneel beweerde zelfs, dat mijn bank grote betalingen gewoon blokkeerde, totdat jij ging bellen, geirriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd, om zeker te weten dat jij het was die zijn eigen geld wilde uitgeven, en niet iemand anders. Het heeft het plezier van de aankoop wel wat bedorven kan ik je zeggen. Maar goed, ik heb hem, hij doet het, en ik schrijf er nu mijn eerste duoblog op.

En toen moest ik een hart-onder-de-riem-brief schrijven aan de GL-leden in ons dorp. Wij hebben nl. zorgen over een gemeentebestuur dat nog geen deuk in een pakje boter kan besturen, en we hebben natuurlijk ook zorgen over de algehele verrechtsing in het land. In vroeger tijden was ik trots dat ik voor de overheid mocht werken, nu schaam ik me dood voor het landbestuur. Kiezers lopen massaal achter een Limburger aan zonder partij, zonder bestuurlijke ervaring en zonder gevoel voor democratie. En intussen is het land op allerlei fronten verzand en vastgelopen. Eigenlijk wil ik er niet meer bijhoren. Jij trok een maand geleden een parallel tussen de PVV en de NSB. Dat wordt bijna niet hardop gezegd, maar zelf heb ik ook het gevoel, dat we de tijd van een kleine eeuw geleden opnieuw beleven. In tegenstelling tot toen zit ik er nu zelf middenin, wat overigens niet wil zeggen dat ik precies snap wat er gebeurt en hoe dat komt. Dus wij schrijven onze leden dat wij ons zorgen maken en er alles aan zullen doen om het tij te keren, althans in ons dorp. Wij zijn in ons dorp trouwens groter dan de PVV, maar dat had ik geloof ik al een keer gezegd. Ik blijf het graag herhalen om mijzelf moed in te spreken . . . .

En toen moest ik de bestuursvergadering van het Studiefonds voor Filippijnse Kinderen voorbereiden. Ik run die stichting grotendeels in mijn eentje, dus ik heb er veel werk aan. Ik heb van de Filippijnse Ambassade een lijst ontvangen van Filippijnse bedrijven en organisaties in Nederland. Op die lijst staan er ruim 70, maar er zijn er vast meer. Er wonen zo’n 16.000 Filipinos in Nederland. Wij gaan de bedrijven op die lijst aanschrijven met het verzoek geld te doneren. Ik gok erop, dat ze wel bereid zullen zijn te investeren in onderwijs voor kinderen in hun moederland. Maar ik heb geen flauw idee of ik dat goed zie. Ik ga het gewoon proberen en zie wel wat het resultaat is.

Ondertussen heb ik van jou wel begrepen dat een heupoperatie geen sinecure is. Ik hoop dat je snel weer in staat bent om een dansje te maken.

Andere koffie…

Onlangs, in de kliniek, bij de controle van mijn nieuwe heup, kon ik de neiging om op iedere zich daartoe lenende vraag – wanneer gebruikt u pijnstilling?, doet u deze oefening wel?, hoe vaak hebt u last van dit probleem? – te reageren met ‘evely molning’, maar mijn tot wintermantelzorger gemaakte gaf de antwoorden, dus dan houdt het op. Die zegt trouwens bij almaar meer dingen – sokken aantrekken, voeten wassen, mijn pc aanzetten – dat ik die nu zelf weer kan. Ze vergeet daarbij dat ik die dingen vroeger ook al niet goed kon. Mijn pc bijvoorbeeld is heel oud en de aanknop moet je heel hard en vaak en onvermoeibaar lang induwen (onze hulp zegt dan ‘dat moet bij mij ook’, maar zulke dingen zeggen wij niet), met bij voorkeur een kleerhanger van hout, voordat hij rammelend in werking treedt. Terwijl ik echt nog erg vermoeibaar ben, dat wordt onvoldoende ingezien. Mijn eigen antwoord overigens lag almaar op het puntje van mijn tong, omdat mijn filosofische vriend mij had verteld over een Engelse journalist in China, die veel belang stelde in het democratisch gehalte van het land. Hij vroeg een willekeurige voorbijganger in Beijing: “Do you often have elections?”, waarop die vriendelijk antwoordde: “Yes, evely molning!”. 

Laten we trouwens maar niks van de Chinezen zeggen. Ik verhaspel tegenwoordig alles, zoals jij vroeger met je ‘Hoertelijke graten, Maria bid voor Fons’. Alleen doe ik het niet expres, jij wel en Chinese obers vertrouw ik bij nadere overweging ook niet meer, met hun ‘Wilt u blootje gezond?’

Visite: Wat is een epicolaps?
Wintermantel: Ze bedoelt apocalyps.
Visite: Maar waarom zegt ze dat dan niet?
Wintermantel: Ze heeft een delirium gehad.

Had ik je al verteld over mijn delirium, Fons?
Maar laten we beginnen bij het begin: de heupoperatie.

Vóór zo’n operatie krijg je een infuus. Krijgen is best een ontspannen woord, als je had gezien hoe dat ging. De verpleegkundige van dienst, een heel aardige vrouw, Els heette ze, kon het infuus niet in de aderen op mijn hand krijgen. Twee, drie keer probeerde ze het, ene hand, andere hand. ‘Ach, wat vervelend, dat gebeurt me anders nooit!’ Zelf vond ik het ook behoorlijk vervelend, maar wat je dan zegt, inwendig vloekend, is: ‘Geeft niet hoor, shit happens’. In de arm lukte het ook niet. Uiteindelijk besloot ze een kindernaaldje te nemen en dat lukte goddank wel.

Toen kwam de anaesthesioloog eraan. Die had me, vermoedelijk om verdere afbladdering van mijn verstand te voorkomen, al eerder aangeraden géén roesje te wensen, laat staan een algehele narcose. Wel kwam hij me nu een ruggenprik ‘geven’. Ook al zo’n eufemistiche term. Want tegen die gift had ik echt opgezien. Ten onrechte: ik herinner me nu al niet meer dat ik er ook maar iets van voelde. Misschien komt dat door de belabberde toestand van mijn hersens, maar dan zou ik me toch eigenlijk sowieso niks meer moeten herinneren. Het tegendeel is het geval.

Ik weet bijvoorbeeld nog goed hoe ik op die vrijdag de laatste heup van de dag was en daarmee van de week. Dus de chirurg maakte korte metten. Dat zijn ook de beste metten vaak. Om 15.00 uur de operatiekamer in, om 15.55 er weer uit, dat was tenminste zaken doen. Ik kon alle gesprekken, achter het scherm tussen boven- en onderlijf, goed volgen, want geen roesje, en genoot volop van het gezaag, geklop en geboor aan gene zijde. Na drie kwartier gingen ze sollen met mijn onderlijf. Het werd met grof geweld naar links, naar rechts en weer terug gegooid – waarschijnlijk, bedacht ik goedkeurend, om te kijken of de nieuwe prothese er niet al te makkelijk weer uit schoot. En ze denken vast ook ‘die voelt toch niks’, maar mijn bovenlijf weet heus wel wat mijn onderlijf aan het doen is. Heen en weer zwiepen!

Rond half 6 weer op mijn kamer – het onderlijf nog volledig verlamd – kreeg ik de warme maaltijd geserveerd. Dat bleek toch wat vroeg na de operatie. Rond 7 uur voelde ik dat ik waarschijnlijk dood ging. Er was geen ic in deze kliniek, wel een zojuist aangetreden nachtwacht, gespecialiseerd in het panisch bellen met het UMC in Nijmegen. Maar gelukkig kreeg ik op het randje van de afgrond toch nog vat op de alarmknop. Er kwam iemand aangesneld die riep dat mijn bloeddruk wegviel. Nou is die standaard al vrijwel afwezig, dus wegvallen is een groot woord, maar daar kwam de nachtwacht al opgepiept, er gebeurden dingen met het infuus, aan de bloeddruk viel niks meer te meten en iets in mij besloot dan in vredesnaam iedereen maar onder te kotsen. Halverwege mijn door de lucht vliegende toetje vergezeld van een paar hapjes vis en wat puree, begon ik weer bij zinnen te komen en wees de nachtwacht op de dekschaal van het dienblad, om daarin verder te kotsen, volgens verwachting helemaal tot en met de soep. Dat vond ze een goed idee. Maar in de dekschaal bleek een gat te zitten, voor de duim wellicht, dus de nachtwacht werd opnieuw de dupe. Temeer toen ze geheel zonder ruggenspraak met mij de dekschaal had geruild tegen een klein plastic spuugzakje, terwijl ik dacht dat qua bereik de dekschaal nog steeds meedeed. Dus het meeste kwam buiten het zakje en opnieuw over de nachtwacht. Je begrijpt nu wel beter waarom er zoveel hulptroepen op dat schilderij van Rembrandt staan. Ze zijn soms echt nodig.

Vervolgens wilde ik tot geen enkele prijs verder nog lastig zijn en werd de hele nacht wakker gehouden door een zwaar soort bezemveeggeluid, dat iedere 20 minuten het eventueel wat indommelen adequaat bestreed. Tegen zessen echter hield ik het niet meer en belde nog een keer. Een tamelijk chagrijnige verpleegkundige – ook in knie- en heupklinieken heb je op het intimiderende af chagrijnige zorgverleners – snauwde dat het zware veeggeluid een bekend aircoprobleem was, dat het uit de badkamer kwam, dat je het gewoon uit kon zetten en dat je de badkamerdeur bovendien dicht kon doen. Ik probeerde me iets naar haar toe te draaien op mijn zij, maar dat ging nog niet.

De nacht in de kliniek – je moet er de volgende dag weer uit – mocht ik absoluut geen slaapmiddel gebruiken. Dat had ook weinig zin gehad met die dominante airco, maar de volgende ochtend vroeg ik aan een verpleegkundige of ik thuis wel mijn gebruikelijke slaapmiddel weer mocht gebruiken. ‘Ja hoor’ luidde het antwoord, ‘Dat kan gerust’.

Twaalf dagen ging dit goed. Dat wil zeggen afgezien van de optredende obstipatie, die zes dagen achtereen klysma’s nodig maakte vanwege de betonnen wal die zichzelf steen voor steen voor de achteruitgang had opgeworpen. Van boven kun je veel met koffie doen, ook met vezels en fruit en de haastig aangeschafte lactulosestroop. Maar op de betonnen wal kun je nog zoveel koffie gieten, het helpt geen zier, je dient de wal van de andere kant te benaderen. Het uiteindelijk reutelende resultaat deed onweerstaanbaar denken aan mijn goeie ouwe pc.

In de elfde nacht thuis raakte ik in een delirium. Zelf kreeg ik daar niets van mee, maar een ooggetuige kwam vanuit haar kamer over de gang heen op het lawaai afgestommeld. ‘Je stond middenin je kamer, zonder krukken, in het donker,’ aldus het verslag achteraf. ‘Alles wat op je nachtkastjes, het bureau en de stoelen lag, had je op de grond geveegd. De volle waterkan had je omgekeerd boven je bed, desgevraagd omdat de 25 nietjes in je wond dorst hadden gehad. Je kon geen kant meer op en riep: “Hoe kom ik hier ooit weer uit, kan iemand mij zeggen hóe?” Ik dacht: kijk, zo word je dus als je dement bent. “Wat wil je dan eigenlijk”, vroeg ik. Je wou naar de wc. Dus ik gaf je de krukken aan, maakte de weg naar de deur vrij en liet je passeren. Even later kwam je zonder krukken, maar nog steeds slaapwandelend, terug van de wc. Je wou mij helpen het matras om te draaien, natte kant naar beneden, droge lakens erop. Ik heb je zolang tegen de muur gezet. Eenmaal weer in bed gemanoeuvreerd begon je over politiek, maar dat heb ik niet helemaal meer afgeluisterd, sorry.’

Nou, maar dat geeft toch niks, Fons. Ik luister ook niet altijd tot het eind naar haar. Dan hoor ik, al op weg naar mijn keukentje, de wegkwijnende klanken nog wel, met altijd een paar ‘je moet zus en je moet zo’s’ erin, maar begin intussen zelf vast met koffiezetten.

Al googlend kwam ik er de volgende dag achter dat de vanuit de kliniek voorgeschreven en meegegeven pijnbestrijder Naproxen absoluut niet samen met mijn ook door de kliniek genoteerde slaapmiddel gebruikt mag worden. Mensen raken, aldus internet, van die combinatie in coma of sterven zonder omhaal. Om dit soort misverstanden voor andere patiënten te voorkomen, moet je ze wel melden, liefst in de vorm van een algemeen advies zonder man en paard te noemen, dus dat heb ik netjes gedaan, vooral blij dat ik dat überhaupt nog kon.

Over klysma’s gesproken: een alternatief georiënteerde vriendin van mijn filosofische vriend vertelde eens op een verjaardag, waar ook hij aanwezig was, dat zij en haar partner zichzelf tweewekelijks een koffieklysma toedienden, omdat dat zo purerend werkte op de darminhoud. Er volgde een gepaste stilte op deze bekentenis, tot iemand vroeg: ‘Met suiker en melk?’

Geen nieuws, goed nieuws

Onlangs zag ook ik pas dat jij een blog had geplaatst en wel al op 28 november. Ik kreeg daarvan evenmin bericht en onder het bovenstaande motto bracht ik dus al die tijd geen bezoek meer aan onze site. Jammer, jammer, want jouw verkiezingspraatje is een schot in de roos: zogenaamd zwevende kiezers zijn gewoon onbenullig rechts. Daarom dient een echte democratie een burgerschapstest te eisen, vóórdat wie dan ook zou mogen stemmen. En op alle scholen moet het vak burgerschapskunde onderwezen worden, waarin je leert hoe je zinnig redeneert, wat je zoal moet weten en waarover je zoal na moet denken om zo’n test met goed gevolg af te leggen.

Overigens was het niet uit teleurstelling dat ik niks ’terug’ blogde, maar vanwege mijn heupoperatie op 8 december en een kleine reeks van tegenslagen die daarop volgde en in de verte wel wat leek op ‘operatie geslaagd, patiënt overleden’, zodat de associatie zich opdrong met die vermaarde verzuchting ‘God is dood, Marx is dood en zelf voel ik me ook niet zo lekker meer’. Nu gaat het wel weer, dus misschien is er toch nog hoop.

Terug naar de verkiezingen: ik vond de berichtgeving in de reguliere, want andere volg ik niet, media bedenkelijk welwillend en zogenaamd ‘neutraal’ over het succes van de Tegenpartij en stuurde eind november de volgende boodschap naar de lezersbrievenrubriek van de Volkskrant.

PVV – NSB
Ligt het aan mij, of durft niemand hardop te zeggen wat de PVV is: een raszuivere nationaal-socialistische partij, die – behalve partijorganisatie en troepenvorming – ideologisch in niets verschilt van onze vooroorlogse NSB?
Kleine minderheden als zondebok zoeken voor de eigen rancune en frustratie; kunst, cultuur, rechtspraak, journalisten, intellectuele ‘elites’ willen ausradieren; eigen volk eerst, nationaal en individueel eigenbelang voorop. Zelfs het parlement, de gekozen basis van onze democratie waar de PVV zelf nu zoveel profijt van heeft, typeren als nepparlement: wat betekent dit? De PVV heeft geen leden, alleen maar een leider. De NSB was idolaat van Hitler, de PVV voelt zich helemaal thuis bij Poetin. Allemaal peanuts?
Zoals er nu, zonder enige nadruk op al die analogieën, in de media over geschreven en gesproken wordt, is het alsof de PVV een fris hedendaags verschijnsel is, nog geen 20 jaar oud, merkwaardig los van onze bloedeigen vaderlandse geschiedenis.
Begripvol vergoelijken is te gevaarlijk voor een zo langdurig bevochten democratie als de onze.’

Kennelijk vond ik onze democratie toen toch nog wel de moeite waard. Zoals gebruikelijk werd mijn ingezonden brief niet geplaatst – alleen die over mijn bereidheid mee te doneren aan een redelijk maandsalaris voor Ayaan Hirsi Ali werd wel ooit geplaatst, waarna ik van het desbetreffende voorstel nooit meer iets vernam – maar je ziet er evengoed aan dat jij en ik het in ieder geval aardig eens zijn, ook buiten onze afkeer van al dat stompzinnige gezweef. 

Het doet mij deugd dat jij over je verkiezingsdepressie heen bent. Jouw actiefoto gaat mij beslist van mijn eigen somberheid afhelpen. Ik kan van dat plaatje geen genoeg krijgen. Zelfs A. werd er vrolijk van, terwijl die toch bijna bezwijkt aan haar mantelzorg voor mij.

Goed ook dat je mede die functioneringsgesprekken met fractieleden gaat voeren. Lijkt mij voor beide partijen heel informatief en zinvol. Ik heb eigenlijk geen idee of dit soort gesprekken veel wordt georganiseerd in andere partijen.

Van de PVV weet ik alleen dat de partijleider erg enthousiast is over het enige lid…

Heel niet goed

Ik ben dagen van slag geweest, sinds woensdagavond 22 november. Dit had ik niet zien aankomen. Dat de meeste mensen dit niet hadden zien aankomen is maar een schrale troost. Wij stonden met politieke vrienden in Café de Lindeboom naar de uitslagenuitzending van de NOS te kijken en toen kwam de eerste voorlopige uitslag op het scherm: 35 zetels voor de PVV. Met afstand de grootste partij. GroenLinksPvdA had het best goed gedaan, met 25 zetels, maar iedereen besefte: dat doet er niet meer toe. Ik ken de PVV, die voor 95% uit Wilders bestaat, als een opruier, stemmingkweker, haatzaaier, racist. De partij van de boze witte mannen. Gaat die nou meeregeren? Ik heb de laatste tijd een paar keer terug moeten denken aan de Tegenpartij van Jacobse en van Es. Die hebben het zien aankomen. “Samen voor ons eige, laat de rest het rambam krijge”. Altijd kankeren op alles. Van Kooten en De Bie waren hun tijd ver vooruit, nog verder dan ik al dacht, naar nu blijkt.

Ondertussen hebben PvdA en GroenLinks in ons dorp succesvol campagne gevoerd. Het was ons eerste samenwerkingsproject met de PvdA, en mij werd gevraagd de rol van campagneleider op mij te nemen. Er moest veel vergaderd worden, maar dat leidde wel tot goede ideeën over de opzet van de campagne. Vrijwilligers van beide partijen zijn gezamenlijk de straat op gegaan om de blijde boodschap te verspreiden, wat niet alleen leuk was om te doen, maar wat ook een heel aantal nieuwe politieke vrienden opleverde. Ik kijk er met plezier op terug. In ons dorp is de VVD nog steeds de grootste (wat al vele jaren het geval is) en is GroenLinksPvdA de tweede partij. De PVV is nu de derde en waren ook in ons dorp nog niet eerder zo groot.

En ook eerder had ik al erg mijn best gedaan. In oktober was ik present bij het eerste gemeenschappelijke GroenLinksPvdA-congres. En ik heb 12 november met de klimaatmars meegelopen. Ik had hartstikke moeie voeten toen ik thuis kwam, niet zozeer van het lopen, maar van het langdurig staan en schuifelen. Maar het was erg gezellig.

Ik heb het gevoel dat het allemaal niet heeft mogen baten. Kiezers zijn massaal naar een rechts-radicale partij overgelopen. Zijn ze dan niet op school geweest? Hebben ze geen geschiedenisles gehad? Er staan nu veel analyses in de pers die moeten verklaren hoe het zo gekomen is. De grafiek die mij het meeste aansprak is die over de zetelverdeling tussen links en rechts in de afgelopen jaren. Mensen gaan alsmaar rechtser stemmen. Het aantal linkse zetels blijft maar dalen. Hoe lang gaat dit zo door? GroenLinksPvdA heeft het goed gedaan, maar dat ging ten koste van andere linkse partijen, die zetels hebben verloren. En zwevende kiezers, dacht ik, zijn kiezers die niet weten waarop ze moeten stemmen. Er is ook fanatiek geprobeerd, zeker ook door GroenLinksPvdA, om die kiezers onze kant op te lokken. Nu weet ik wel beter. Zwevende kiezers zijn rechtse mensen die nog niet weten op welke rechtse partij ze gaan stemmen. Ze zijn verenigd in hun afkeer van linkse partijen. Bij linkse partijen wordt weinig gezweefd.

Sinds gisteren gaat het weer goed. Ik ben over mijn depressie heen, ik kan weer rustig nadenken en mijn werk doen. Nu ik geen campagneleider meer ben vindt de voorzitter van onze club het een goed idee dat ik meedoe met het houden van functioneringsgesprekken met onze fractieleden. Ze krijgen dan feedback en kunnen aangeven hoe het gaat in hun werk en wat ze graag anders zouden zien. Goede praktijk in onze partij, vind ik.

Even wat anders. Toen ik aan deze blog begon, heb ik eerst jouw laatste blog gelezen. Die is van 1 oktober en ik had hem nog niet eerder gezien! Ik krijg al een tijd geen bericht meer als jij een nieuwe blog hebt gepubliceerd, en dit is nu het gevolg. Ik heb er wel iets aan gedaan, maar dat heeft blijkbaar niet geholpen. Ik moet toegeven: aan mij heb je ook niks. Als ik niet op jouw blog reageer, is voor jou de lol er gauw af, lijkt mij zo. Ik ga het nu grondiger aanpakken, want het moet worden opgelost. Ik wil de belevenissen van jou en A. graag blijven volgen. Ik weet dat je aan slapeloosheid lijdt, maar ik wist niet dat je dat geërfd hebt. Zo zie je maar, je krijgt bij je geboorte onbruikbare eigenschappen mee waar je niet om gevraagd hebt en waar je maar mee hebt te leven. Maar je bent erg goed in taal en schrijven. Dat is veel waard. Niet iedereen heeft dat . . .

Stedentripjes en retourpakketten

Ook wij hebben een stedentrip gemaakt. In Antwerpen ditmaal, zeer de moeite waard. Wie mij vooral opvielen waren de orthodoxe Joden – mannen met vlechtjes aan weerszijden, hoge hoeden, zwarte pakken, witte overhemden – die op elektrische stepjes door de stad sjeesden. De orthodoxe vrouwen en meisjes zag ik eigenlijk alleen in de Joodse wijk zelf en niet één op een stepje. De mannen compenseren dit soort lamlendigheid door zich levensgevaarlijk tussen het consumerende publiek door te schieten. Mijn filosofische vriend vertelde mij dat er zelfs een kleine subgroep orthodoxe Joden bestaat, die zich aan geen enkele vorm van werelds gezag wenst te onderwerpen, laat staan aan verkeersregels. Als hij zich per auto door de Joodse wijk begeeft, schakelt hij standaard terug naar de eerste versnelling om stapvoets verder te gaan, want menige wijkbewoner steekt de weg over zonder op of om te zien, volledig vertrouwend op de Heer in het verkeer. De vrouwen zijn eveneens heel donker gekleed en dragen lange zwarte maillots, hun haren bedekt, niet zoals Amerikaanse Jodinnen met een pruik, die dan meestal aanzienlijk wellustiger oogt dan hun eigen kapsel, maar gewoon met een hoofddoekje. Ook de kleine jongens dragen volwassen mannenkleding en zelfs peuters in hun wandelwagentje hebben al vlechtjes en een keppeltje. Zóveel Joden zag ik, dat ik even dacht dat de andere Belgen veel beter voor ze gezorgd hadden dan wij. Maar ja, die van ons zijn liberaal en kleden zich niet afwijkend. En wij hadden natuurlijk dat perfecte Bevolkingsregister, daar zijn Belgen veel te slordig voor. Ik dacht trouwens lange tijd dat die mindere overlevingskans bij ons aan de registratie door de Joodse Raad lag, maar ik moest beter mijn best doen, vond mijn filosofische vriend, met het mij verdiepen in de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Dus keek ik onlangs naar ‘Willem en Frieda’, een prachtige documentaire van Stephen Fry, over twee homoseksuele en dus nogal veronachtzaamde, maar buitengewoon dappere verzetshelden. Willem Arondeus werd geëxecuteerd, Frieda Belinfante kon ontkomen.

Verder bezochten we zo ongeveer alle musea en natuurlijk de kathedraal, waar we na drie kwartier zelf rondkijken op een werkeloze gids stieten, die ons een bevlogen privérondleiding gaf. Erg aardig. Dan denk je dat je al heel veel hebt gezien in die kerk en blijkt vervolgens wat je bijvoorbeeld in zo’n kruisafneming van Rubens allemaal niet hebt gezien. Ik had niet gezien dat Maria Magdalena a) duidelijk als publieke vrouw was afgebeeld, omdat b) Jezus met zijn voet haar half ontblote schouder aanraakte, wat je niet deed bij een fatsoenlijke vrouw, ook al was je nog zo dood en c) de opening van haar gewaad kennelijk aan de voorkant zat en niet zoals het hoorde bij private vrouwen op de rug en d) zij een gele sjaal droeg, wat op zich al voldoende zei. Dzjiezus!

Daarna moesten we er via het winkeltje weer uit en vroeg ik, altijd lang en breed weifelend over dit soort dingen, aan de baliemedewerker of de gids beledigd zou zijn als we hem iets gaven. Hij vroeg een omschrijving van de gids en zei: ‘Nee, die beslist niet, die vindt dat leuk’. Dus wou ik de kerk weer in, maar dat ging niet zomaar: draaihek, eenrichtingsverkeer, u moet de kerk nu uit, ja? Stond die baliejongen op, haastte zich voor ons uit naar het hekwerk en trok dat, tot verbazing van het publiek, in zijn geheel tot boven zijn hoofd uit de grond. Belgen zijn namelijk aardiger dan Nederlanders, dus toen konden we weer naar binnen. Daar misten we de gids op een haar na, omdat die eigenlijk juist graag weer naar huis wou. Maar het kwam allemaal goed en hij was blij met onze gift. Ook zoiets. Hoeveel moet het dan zijn? Drie kwartier gidsen, wat denk jij? Ik denk € 20, maar de meningen waren verdeeld en dus werden het er 10.

Slapen intussen deed ik in die drie nachten al met al ongeveer 7 uur. Dat is voldoende om op de been te blijven, maar niet om zelf te concluderen dat de sluiting van Maria Magdalena’s gewaad dus aan de voorkant zat. Die chronische slapeloosheid, waarover ik het niet meer zou hebben, is genetisch bepaald, van onze vader geërfd door mij en mijn oudste broer. Mijn vader ging van pure wanhoop ’s nachts vaak fietsen. Maar wel elke dag om 7 uur op, om – dikwijls tot ’s avonds half 11 – te werken. En ik heb hem nooit goed gezegd hoeveel ik van hem hield, kutkind. Maar er werd vroeger toch niet zoveel waarde gehecht aan het oordeel van een meisje, daar sla ik qua wroeging dan mijn slaatje wel weer uit.

Onlangs kocht ik online wandelsportschoenen ad € 130. Even oefende ik er binnenshuis mee in de gang. Ze veerden heerlijk, precies wat ik zocht. Twee dagen later ging ik erop naar buiten. Eerst lekker en toen bleken ze te klein. De volgende dag probeerde ik het nog eens. Ze knelden mijn beide grote tenen blauw. Ook zat er nu hier en daar wat zand onder de zolen. Dat was er wel weer af te krijgen, maar toch vond ik dat ik ze nu niet meer terug kon sturen. Dus deed ik ze cadeau aan een vriendin met een maatje kleiner. Het idee, hè? Dat is een beetje vergelijkbaar met mijn ontsteltenis, toen een collega eens vertelde dat ze haar auto had ingeruild bij haar garage zonder te melden dat er iets mis was met het linker achterportier. Dat ging soms onderweg zomaar open of bleef juist vast zitten als je eruit wou. ‘Maar waarom heb je dat niet gezegd?’ ‘Omdat ik er dan minder voor terugkreeg.’ ‘Maar nu zadel je de volgende eigenaar met een verborgen gebrek op.’ ‘Dat is dan zijn probleem.’ Onbegrijpelijk vind ik zoiets, erger dan gebruikte schoenen terugsturen als nieuw. Dat had ik overigens gewoon moeten doen, temeer toen ik onlangs in Lubach een under cover bij Bolcom hoorde vertellen wat hij bij zijn werk aan de retourpakkettenband zoal had aangetroffen. Ik noem hier slechts een vibrator ‘waar de poep nog aan zat’ of een koffer met vieze sokken en aan het handvat een label van de luchtvaartmaatschappij waarmee de koffer op vakantie was geweest. Het verdienmodel van die online bedrijven blijkt dat ze de retourspullen die er nog prima uitzien als nieuw naar een volgende klant sturen en de dingen met poep doorsluizen naar een vaste opkoper. Goed systeem, niks meer aan doen. Maar echt, je schaamt je voor je eigen volk. Het zal wel weer massaal VVD gaan stemmen. Onze superieure identiteit immers loopt tezeer gevaar met al die vluchtelingen.

Intussen is A. met haar zus een dag of vier naar Berlijn geweest. Op de terugreis met de onderhoudsachterstallige Deutsche Bundesbahn hadden ze veel vertraging, uren zelfs. De conducteur verontschuldigde zich per intercom voor het ‘Schrott’ waarin hij de reizigers moest vervoeren. Ze liepen dan ook midden in de nacht vast in Duisburg, waar een zoon van haar zus ze dan maar per auto op kwam halen. Zo’n ervaring werpt wel een geheel nieuw licht op onze eigen zo vaak beschimpte NS. Maar uiteindelijk gaat het natuurlijk niet om de bestemming…