Je moet wel een hoop lef hebben om hier trots op te zijn

Ik heb het behoorlijk druk, maar nergens zin in, behalve in het schrijven van een blog. Dus wat doe je dan? Precies.

En zo zijn wij, speciaal op mijn verzoek, weer eens in Parijs geweest. Het was denk ik de zevende of achtste keer, ik heb het niet precies bijgehouden, maar om de zoveel jaren wil ik toch weer eens gaan kijken. Ik beleef het als een feest der herkenning in zo ongeveer de indrukwekkendste stad die ik ken. Eind april was het in Parijs net zo koud als in Nederland dus we hadden dikke truien en jassen bij ons. Wij betrokken een hotel dat we al een paar keer eerder hadden bewoond, precies in het midden van Parijs, op loopafstand van zo ongeveer alles wat we wilden zien.

Maar we hebben niet alles gezien wat we wilden zien. Om te beginnen het Musée d’ Orsay. Wij liepen niets vermoedend die kant op en toen we de hoek omgingen zagen wij op het plein voor het museum een zee van mensen die naar binnen wilden. Ook bij de ingangen voor de voorverkochte kaartjes stonden lange rijen mensen te wachten. De moed zonk ons in de schoenen en wij dropen af. Uren in de rij staan zou ons vakantieplezier grondig hebben bedorven. De dag daarna togen wij naar Le Centre Pompidou. Daar troffen wij dezelfde taferelen: geen doorkomen aan. In plaats daarvan hebben wij vele kilometers door Parijs gedwaald, en dat is en blijft geweldig. Voor het Panthéon geen lange rijen: dat was vanwege een staking gesloten. Ik heb wel gedacht dat in Parijs is gebeurd wat ook in Barcelona, Venetië en Amsterdam is gebeurd, nl. zo’n enorme toestroom van touristen, dat die steden, in ieder geval delen van het jaar, nagenoeg onleefbaar zijn geworden.

Eén museum hebben we wel kunnen bezoeken: het Musée Rodin. Daar heb ik toch wel mijn hart opgehaald. Ik kende maar twee beelden van Rodin, maar zoveel werk van hem bij elkaar te zien was toch wel een openbaring. Hij heeft veel portretten gemaakt, en veel mensen uitgebeeld in allerlei mogelijke, en soms ook onmogelijke houdingen. En er hing ook nog ergens een verdwaalde Van Gogh aan de muur.

De Notre Dame is nog niet af, maar de kleine toren staat alweer op het dak. Wij hadden in de krant gelezen dat hij (of is het zij?) met Kerstmis weer open gaat voor het publiek. En Kerstmis is natuurlijk een mooie gelegenheid om een afgefakkelde kerk te laten herrijzen.

Het Place de la Concorde staat volgebouwd met tribunes, waarschijnlijk met het oog op de komende Olympische Spelen. Een lelijk gezicht, maar er moet ook geld verdiend worden . . .

En o ja: we zijn ook nog een bekende Amerikaan tegengekomen, pal naast de ingang van ons hotel. Hoe konden we het zo treffen.

En nu ben ik weer campagneleider, deze keer voor de Europese verkiezingen. De lokale politieke leiders van PvdA en GroenLinks in ons dorp hebben deze keer tot een kleinschalige campagne besloten. We beperken ons tot het aanbieden van folders aan winkelend publiek op de zaterdagen. De reacties van de voorbijgangers zijn grotendeels normaal en vriendelijk, ook als ze “needankuwel” zeggen. Maar een enkele keer sta je toch raar te kijken van wat je hoort. We hebben iemand en passant horen zeggen dat Frans Timmermans de aanstichter is van de oorlog in Oekraïne. En ook deze.

“Gaat u 6 juni stemmen?”
“Nee want ik woon in Wassenaar”
“Gaat u in Wassenaar stemmen?”
“Nee, niet op jullie”
“Dat geeft niet, als u maar gaat stemmen”
“Ik stem op Wilders”
“Die doet niet mee, er staat een ander op de kieslijst van de PVV voor Europa”
“En toch ga ik op hem stemmen”
“Dan wens ik u veel succes”

Zoals je zegt: we zitten nu met Wilders, en je wilt graag dat ik hier iets zinnigs over zeg. Ik kan je zeggen dat ik geirriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd ben sinds de verkiezingen van vorig jaar  en dat is met het verschijnen van het coalitieakkoord alleen nog maar erger geworden. Ik heb het niet zien aankomen. En misschien had ik het kunnen zien. Ik herinner mij dat ik op mijn 61e met pensioen ben gegaan omdat ik het niet meer leuk vond om bij het rijk te werken. Mijn trots om de publieke zaak te mogen dienen was geleidelijkaan verdampt. Vooral het in 2010 gestarte kabinet (CDA en VVD met gedoogsteun van de PVV) heeft de sfeer in de rijksdienst verhard, verkild, zeg maar: verwilderd. In 2012 trok Wilders zijn gedoogsteun in, het kabinet viel, en sindsdien heb ik steeds gedacht dat de PVV niets anders is dan een extreem-rechtse kamerfractie met een schreeuwerige en bij tijd en wijlen onbeschofte fractieleider. Als je nog niet eens een kabinet kunt gedogen, ben je gedoemd permanent in de oppositie te blijven en kom je aan regeren niet toe, dacht ik. Lawaaiig maar tandeloos. 

Verkeerd gedacht. We zijn twaalf jaar verder en de PVV dreigt nu mee te regeren. Eigenlijk ben ik vooral beschaamd. Het niveau van de landspolitiek is de afgelopen decennia alsmaar gedaald. En nu heeft 1 op de 4 kiezers op de PVV gestemd. Onze democratie stoelt op het axioma: de kiezer heeft altijd gelijk. Een stelling die ik nooit heb onderschreven. Want als een volksmenner de kiezers langdurig bestookt met oneliners, ophitserij en onwaarheden, sluipt er een gif in de publieke opinie, dat het functioneren van de democratie ondermijnt. Er groeit een groep volgelingen die met recht ontevreden zijn en evenveel stemrecht hebben als ieder ander, maar met hun stemgedrag het openbaar bestuur devalueren. We hadden veel energieker dat tij moeten keren, in plaats van die verzieking te tolereren omdat we nu eenmaal een democratie zijn. We zijn het nu minder dan voorheen, en ik vrees dat dat alleen maar erger wordt.

Er hangt een sfeer dat er eindelijk met “links” is afgerekend. Mensen associëren alles waar ze een hekel aan hebben met links, ook al is het jaren lang rechts wanbeleid geweest. Ik ben bang dat al die (extreem)rechtse kiezers straks bedrogen uitkomen, omdat de verbeteringen waar zij op hopen er niet komen. Wat daar het effect van zal zijn, durf ik niet te voorspellen. Wellicht dat we kiezers terug kunnen winnen met een sterk aansprekend verhaal. Maar het kan ook zijn dat de verrechtsing dan nog extremer toeslaat dan nu.

Ik moet je zeggen: nu is het mijn beurt om met de rug naar het landsbestuur te zitten. Ik wil niet meer weten wat daar gebeurt. Ik volg de debatten in de Kamer niet, ik mijd de talkshows, en ik merk dat dat goed is voor mijn gemoedsrust. Wie er ook premier wordt: not my president.

Is dit zinnig genoeg? Of te deprimerend? Of beide?

Misselijk, moe en koppijn

Mijn lieve nicht van 80, die veel narigheid heeft meegemaakt in haar leven, maar gelukkig niet bepaald aan anorexia lijdt, was misselijk met Pasen. Wel stond er een grote schaal met paaseitjes op tafel. En elke keer als ze daar langs kwam, aarzelde ze even, dacht dan ‘Nou ja, ik ben toch al misselijk’ en nam er nog één. Deze houding wou ik mij ook eigen maken. Je kon er veel aan hebben, leek mij.

Eerst echter gingen we een midweek naar Münster, teneinde daar omheen te fietsen. In de folder stond namelijk: ‘Ook bospaden, wandelpaden en landweggetjes zijn geïntegreerd in het fietspadennetwerk en bieden zo veel afwisseling in het zadel.’ Die afwisseling in het zadel, daar was het ons om begonnen. Verder kan ik je ervan vertellen dat de fietstochten rond Münster niets voorstellen. Rond jouw Voorschoten en mijn Wijchen zijn ze 9 keer mooier, hetgeen neerkomt op 10 keer zo mooi, maar leg dit soort subtiliteiten maar eens uit aan de media. Ik heb het geprobeerd, de Volkskrant voorop, ze snappen het niet. Dus blijft ons land de gekste statistische uitkomsten als ‘feit’ voorgeschoteld krijgen. Waar iemand 150 reed, reed hij ‘drie keer meer dan’ de toegestane 50. Ik hoop dat Wilders hier iets aan gaat doen.

Maar die botanische tuin van Münster!
Wat kun je daar naast de ingang fijn op een bankje zitten!

Er kwamen twee botanische nerds op af, man en vrouw van om en nabij de 60 en zeer waarschijnlijk broer en zus, want ze liepen allebei met de rechtervoet keurig recht vooruit, maar de linker duidelijk een graad of 20 naar buiten gericht. Niet heel erg dus, maar ik zie zoiets, omdat ik na mijn heup opnieuw moest leren lopen en vooral moest oefenen om mijn ene voet weer gewoon recht vooruit te zetten. Dat had ik vermoedelijk vóór die tijd ook nooit gedaan, maar nu moest het van de fysiotherapeut, die het werkelijk een schande vond, zover als ik die ene voet naar buiten draaide. 

Ik wees mijn beide reisgenoten, wier namen ik hier niet zal noemen, ook niet bij wijze van vermoeiend ‘maar ze heten zus en zo’ op de Duitse voeten. Ze gaven mij verbaasd gelijk: wat een opmerkelijk loopje! Dat was niet slim. Je moet nooit nogal opvallend naar mensen hun voeten turen en dan verbaasd beginnen te lachen. Dus vroeg de mannetjesnerd aan mij:
– Um Gotteswillen, was ist mit unseren Füszen?
– Nichts, nichts, aber wir dachten Sie sind vielleicht Geschwister.
– Sind wir auch, das ist meine Schwester.
– Dachten wir uns schon.
– Aber warum denn?
– Ja, man sieht es kaum, wirklich wahr, aber ich achte auf Füsze seit ich eine neue Hüpfe habe und von Neu an wieder laufen lernen muszte.
– Eine was?
– Hüpfe.
– Meinen Sie vielleicht Hüfte?
– Es ist durchaus möglich dasz ich Hüfte meine.
– Aber was ist denn los mit unseren Füszen?
– Gar nichts ist mit Ihren Füszen los, wer es nicht weisz sieht es gar nicht, so unbedeutend ist es, aber Ihr linker Fusz steht etwas nach auszen beim Gehen und der linke Fusz Ihrer Schwester macht genau das Gleiche.

Ach, werkelijk? Nou, dan zouden ze daar eens op letten, einen schönen Tag noch.

Ze wandelden verder en bestudeerden nu hoe ze dat eigenlijk precies deden. Toen keek de broer over zijn schouder naar mij, stak een duimpje op en riep:
– Sie haben ja Recht, unsere Füsze sind tatsächlich etwas nach auszen gerichtet.
Hij grijnsde breed, ik grijnsde breed terug en riep:
– Ich weisz! Das sieht man doch aus groszer Entfernung schon!
Gelukkig schoot zijn zuster nu ook in de lach, terwijl mijn beide reisgenoten, wier naam er minder toe doet dan ooit, zich dood geneerden. Maar dat weten ze vantevoren, dan moeten ze hun afwisseling in het zadel maar met iemand anders zoeken.

Ik vraag me bij al deze dingen in Duitsland eigenijk alleen af of ik wel de juiste naamvallen gebruik. Daar moet je maar het beste van hopen (hopfen).

Terug in eigen land vind ik, even afgezien van wat je over die oorlogen in Oekraine, Gaza en Soedan voorgeschoteld krijgt, de twee allerergste dingen op tv The Passion en het Songfestival. Het is niet eens edelkitsch, het is pure wansmaak. Het Songfestival nog het minst erg misschien. The Passion kan niet eens verexcuseerd worden als campy bedoeld.

Weet je wie wel campy doet? Gini, mijn rolstoelbejaarde. Er is eigenlijk geen ordentelijk gesprek meer met Gini te voeren, dus rol ik haar elke week naar een groot commercieel moestuinencomplex een eind bij ons vandaan, beheerd door een officiële staf, i.c. Monique. Daar toon ik Gini de voortgang in de verschillende groeistuipen van groentes, bloemen en fruit. Ze komt zelf van een boerderij, dus veel van die stuipen herkent ze nog. Op het aardbeienveld zag ik afgelopen dinsdag 14 mei één grote, al dieprood gerijpte aardbei. Op het plukken van aardbeien staat in dit complex de doodstraf, dus die ene mooie bood ik Gini aan. Nee, hoefde ze niet, ze wou liever een hele handvol en die dan vanavond op de boterham. ‘Gini, dat kunnen we niet maken, die aardbeien zijn van andere mensen, daar mogen wij niet zomaar een handvol van plukken.’ Ze keek me wat wezenloos aan. Maar ja, je bent nooit te dement om te leren, denk ik altijd maar. Een poosje daarna komen we Monique zelf tegen. Met haar maak ik altijd een uitgebreid praatje, omdat dat leuk is voor Gini. Die zit de hele dag maar in zo’n verpleegtehuis en heeft alleen aanspraak aan mensen die nog verder heen zijn. Dus ik zeg tegen Monique, ik zeg: ‘Jullie aardbeien beginnen ook te komen, het ziet er goed uit allemaal’. Monique knikt verguld en Gini zegt:
‘Aardbeien zijn heerlijk, ik wou dat ik een aardbei had.’
‘Maar lieverd’, zeg ik, ‘Zonet wou ik die ene voor je plukken en toen hoefde je niet!’
‘Nee’, zegt zij verontwaardigd, met een schuin oog op de nu enigszins fronsende Monique: ‘Dat kun je toch niet máken!’

Intussen zit onze eigen moestuin weer vol Coloradokevers, vanaf begin mei al kill ik me ongelukkig. Om maar te zwijgen over al die nareizende eitjes, die zich aan de onderkant van het blad in de illegaliteit verzamelen. En de ouders maar doorfokkken hè, ze lopen zich te vermenigvuldigen waar je bij staat, zo onbeschoft, typisch buitenlanders, het is en blijft tuig, aanpakken die handel, weg ermee, oprotten, saneren, uitzetten, eigen kevers eerst. Maar ja, die eigen kevers zijn weer hartstikke lui, die zitten alleen maar te zitten, slechts een enkeling waagt zich aan een stukje stam van de bessenstruik, de rest kijkt lamlendig toe. Zelfs de Hollandse werkbij voert geen klap meer uit tegenwoordig. Eten en drinken gaat nog wel, maar moe, moe…
Op de vraag ooit van een journalist ‘Hoeveel mensen werken er nou eigenlijk in het Vaticaan?’, antwoordde Paus Johannes XXIII: ‘Ik hoop de helft’.
Nou, daar kun je bij onze eigen insecten wel naar fluiten.
Kijken hoe Wilders dit probleem aanpakt.

Want we zitten dus sinds gisteren met Wilders.
Zeg jij hier eens iets zinnigs over graag.

Ook in onze eigen moestuin maak ik evengoed erg veel praatjes met allerlei mensen, wier namen ik evenmin als die van mijn reisgenoten zal noemen, in dit geval omdat ik ze allemaal door elkaar haal. Maar gisteren voerden we een echt goed gesprek, de beheerder van ons complex en ik, over het absolute taboe op chemische bestrijdingsmiddelen en waarom er dan toch Roundup is aangetroffen in de tuin van Joop en Anja.
‘De meeste mensen trekken zich nergens wat van aan’ foeterde hij.
‘Zo is het, Henk’ antwoordde ik.
‘Hij heet Theo’, zei Goos, vanuit de tuin naast de onze.

Ik kon me wel weer voor de kop slaan, Fons.
Dus deed ik dat, ik had toch al hoofdpijn.

(Uitzetten die tv)

Weet je wat het is, Fons? Er komt inderdaad altijd wat tussen als het om onze in kleine kring af en toe heus wel met een schuin oog waargenomen blogs gaat, maar bij jou is dat meestal iets leuks met kunst, terwijl ik meer iemand ben met deliria.

Vannacht naar de wc gaand, hoorde A. vanuit mijn slaapkamer luid en duidelijk: ‘Honderdzestien komma zeven dan wel honderd vierendertig’. Niet helemaal duidelijk is waarover dit ging, maar in mijn droomslaap bereken ik wel vaak samengestelde interest op geld dat ik niet heb. Dus als ik het straks toch nodig heb voor de te verwachten zorgkosten, moet ik het lenen tegen een rente die samengesteld zal zijn. Zoiets moet je kwantificeren. Dat doe ik dan ook grondig en beredeneerd, maar dan is A. allang weer onder zeil. Je weet dat ze dingen nooit goed uitluistert.

Dit soort nog steeds deliriumachtige taferelen moet ook een rol hebben gespeeld toen ik, natuurlijk om jou te helpen in je computeraankoopellende, kennelijk de winkel belde. Want je schrijft: ‘Eén van het winkelpersoneel beweerde zelfs, dat mijn bank grote betalingen gewoon blokkeerde, totdat jij ging bellen, geirriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd, om zeker te weten dat jij het was die zijn eigen geld wilde uitgeven, en niet iemand anders.’

Ik herken me hier zonder meer in, Fons. Geïrriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd, het is mijn standaard staat van zijn. En uiteraard wilde ik zelf graag weten of ik het wel was die die winkelbediende zijn eigen geld wou uitgeven. Want van zulke neigingen moet ik echt op de hoogte zijn voor ik er samengestelde interest over ga berekenen. Hoe dan ook doet het mij deugd dat de computer je nou zo bevalt. Daar doen we het toch voor. Alleen herinner ik me er zelf niks meer van.

Waaraan ik mij geïrriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd vanaf het begin ook al groen en geel erger: de Lübachlachband. Die is, tenminste in mijn beleving, ook nog allengs ridiculer geworden qua misplaatst enthousiasme voor de flauwste grappen en gênant armoedige woordspelingen. Dus zet ik tegenwoordig gewoon het geluid helemaal uit, om al dat rabiate geschater-om-niets van een ingeblikt publiek te ontwijken. Maar ja, dan krijg je dus metterdaad aangenaam verstilde beelden, maar wel met daaronder groot de tekst: (Gejuich en applaus). Dingen tussen haakjes trekken altijd meer aandacht dan zonder, dus dat lach-of-ik-schiet-effect blijft. Wat te doen? Helemaal uit die tv en lekker wegdromen bij de laatste pianosonate van Schubert? Eigen beeld en geluid eerst?

Zo heb ik, om mijn drieledige ontsteltenis over de eigen-volk-eerst-verkiezingsuitslag de baas te worden, bedacht dat een kwart van ons volk altijd al xenofoob, racistisch en rechts reactionair, tegenwoordig verpakt als anti-migratie – lees anti-vluchteling – was, maar dat dit excellente trekje vroeger onder water bleef bij verkiezingen, omdat die toen nog vooral op sociaal-economische thema’s werden gefocust, terwijl nu, waar de overgrote meerderheid, bijna 100% van ons volk, het materieel redelijk kan redden, iets cultureels het item wordt en wel onze eigen identiteit, ons Neêrlands bloed, dat van vreemde smetten vrij door onze ad’ren vloeit. Korte zinnetjes zijn fijner om te lezen. Dat weet ik ook best. Maar je moet wel ook afwisselen. Dus de VVD, in de persoon van de angstaanjagend leugenachtige Yesilgöz – zelf een nareisvluchteling – met haar, zoals intussen bleek, bewuste nareis-op-nareis-bombarie, dacht, door de vluchteling als bedreiging van die identiteit te framen, flink wat stemmen te winnen, maar calculeerde de verkeerde kant op en verloor juist een deel van de eigen kiezers aan de PVV. En daar hebben ze een grote ijskast, waarin de baas nu alles wegstopt wat hem lief is – ook zichzelf binnenkort, als hij geen lid meer wenst te zijn van een partij die hem als lid accepteert – zolang het maar buiten bereik van de graaiende vluchteling blijft. Die zetten we eerst de grens weer over, scheer je weg, laat je hier nooit meer zien, dan kijken we daarna wel wat er één voor één terug uit de koeling kan.

Waar zou bij al die eigen volksidentiteit eigenlijk ons ‘Hoor wie klopt daar, kind’ren? Hoor wie klopt daar, kind’ren? Hoor wie tikt daar zachtjes tegen het raam? ’t Is een vreemd’ling zeker, die verdwaald is zeker, ‘k Zal hem gauw eens vragen naar zijn naam!’ gebleven zijn?

Wat je moet doen om van je geld af te komen

Weet je wat het is Linie? Er komt iedere keer wat tussen, als ik een blog wil schrijven. Eerst was er de nieuwjaarsreceptie in het museum. Beelden aan Zee bedoel ik, van 5 tot 7 uur. Ik mocht met C. mee. Daar heb ik geen spijt van gehad. Het was om te beginnen leuk om C.’s collega’s te ontmoeten, maar vooral was ik onder de indruk van de vrijgevigheid van het museumbestuur. Er was eten en drank in overvloed. Ik heb me stevig tegoed gedaan aan de lekkere hapjes en wijntjes, zodat een warme maaltijd die dag niet meer nodig was. En je mocht vrij rondlopen in het museum, maar vanwege de tentoonstelling had dat weer niet gehoeven. Soms denk ik: waarom staat dit eigenlijk in een museum . . .

En toen moest ik een nieuwe computer kopen. Dat doe ik elke pakweg 10 jaar. Bedenken welke je wilt hebben gaat nog wel, maar dat ding in de winkel betalen is een crime. Met mijn pasje lukte dat niet. Ik ontdekte dat je eerst online moet instellen, dat je een groot bedrag van je rekening mag afhalen, anders lukt het niet. Maar toen ik dat gedaan had lukt het nog niet! In de winkel kreeg ik het advies om de alarmlijn van de bank te bellen. Toen ik iemand aan de lijn had vroeg die mij het hemd van mijn lijf om te controleren of ik het wel was. En toen ze daarvan overtuigd was zei ze dat ik mijn computer mocht kopen. Ik ben in totaal drie keer naar de winkel geweest voordat ik hem eindelijk in mijn handen had. In de winkel wist men mij te vertellen dat mijn bank altijd moeilijk deed over het betalen van een computer. Dat was voor de veiligheid. Eén van het winkelpersoneel beweerde zelfs, dat mijn bank grote betalingen gewoon blokkeerde, totdat jij ging bellen, geirriteerd, verbouwereerd en gechoqueerd, om zeker te weten dat jij het was die zijn eigen geld wilde uitgeven, en niet iemand anders. Het heeft het plezier van de aankoop wel wat bedorven kan ik je zeggen. Maar goed, ik heb hem, hij doet het, en ik schrijf er nu mijn eerste duoblog op.

En toen moest ik een hart-onder-de-riem-brief schrijven aan de GL-leden in ons dorp. Wij hebben nl. zorgen over een gemeentebestuur dat nog geen deuk in een pakje boter kan besturen, en we hebben natuurlijk ook zorgen over de algehele verrechtsing in het land. In vroeger tijden was ik trots dat ik voor de overheid mocht werken, nu schaam ik me dood voor het landbestuur. Kiezers lopen massaal achter een Limburger aan zonder partij, zonder bestuurlijke ervaring en zonder gevoel voor democratie. En intussen is het land op allerlei fronten verzand en vastgelopen. Eigenlijk wil ik er niet meer bijhoren. Jij trok een maand geleden een parallel tussen de PVV en de NSB. Dat wordt bijna niet hardop gezegd, maar zelf heb ik ook het gevoel, dat we de tijd van een kleine eeuw geleden opnieuw beleven. In tegenstelling tot toen zit ik er nu zelf middenin, wat overigens niet wil zeggen dat ik precies snap wat er gebeurt en hoe dat komt. Dus wij schrijven onze leden dat wij ons zorgen maken en er alles aan zullen doen om het tij te keren, althans in ons dorp. Wij zijn in ons dorp trouwens groter dan de PVV, maar dat had ik geloof ik al een keer gezegd. Ik blijf het graag herhalen om mijzelf moed in te spreken . . . .

En toen moest ik de bestuursvergadering van het Studiefonds voor Filippijnse Kinderen voorbereiden. Ik run die stichting grotendeels in mijn eentje, dus ik heb er veel werk aan. Ik heb van de Filippijnse Ambassade een lijst ontvangen van Filippijnse bedrijven en organisaties in Nederland. Op die lijst staan er ruim 70, maar er zijn er vast meer. Er wonen zo’n 16.000 Filipinos in Nederland. Wij gaan de bedrijven op die lijst aanschrijven met het verzoek geld te doneren. Ik gok erop, dat ze wel bereid zullen zijn te investeren in onderwijs voor kinderen in hun moederland. Maar ik heb geen flauw idee of ik dat goed zie. Ik ga het gewoon proberen en zie wel wat het resultaat is.

Ondertussen heb ik van jou wel begrepen dat een heupoperatie geen sinecure is. Ik hoop dat je snel weer in staat bent om een dansje te maken.

Andere koffie…

Onlangs, in de kliniek, bij de controle van mijn nieuwe heup, kon ik de neiging om op iedere zich daartoe lenende vraag – wanneer gebruikt u pijnstilling?, doet u deze oefening wel?, hoe vaak hebt u last van dit probleem? – te reageren met ‘evely molning’, maar mijn tot wintermantelzorger gemaakte gaf de antwoorden, dus dan houdt het op. Die zegt trouwens bij almaar meer dingen – sokken aantrekken, voeten wassen, mijn pc aanzetten – dat ik die nu zelf weer kan. Ze vergeet daarbij dat ik die dingen vroeger ook al niet goed kon. Mijn pc bijvoorbeeld is heel oud en de aanknop moet je heel hard en vaak en onvermoeibaar lang induwen (onze hulp zegt dan ‘dat moet bij mij ook’, maar zulke dingen zeggen wij niet), met bij voorkeur een kleerhanger van hout, voordat hij rammelend in werking treedt. Terwijl ik echt nog erg vermoeibaar ben, dat wordt onvoldoende ingezien. Mijn eigen antwoord overigens lag almaar op het puntje van mijn tong, omdat mijn filosofische vriend mij had verteld over een Engelse journalist in China, die veel belang stelde in het democratisch gehalte van het land. Hij vroeg een willekeurige voorbijganger in Beijing: “Do you often have elections?”, waarop die vriendelijk antwoordde: “Yes, evely molning!”. 

Laten we trouwens maar niks van de Chinezen zeggen. Ik verhaspel tegenwoordig alles, zoals jij vroeger met je ‘Hoertelijke graten, Maria bid voor Fons’. Alleen doe ik het niet expres, jij wel en Chinese obers vertrouw ik bij nadere overweging ook niet meer, met hun ‘Wilt u blootje gezond?’

Visite: Wat is een epicolaps?
Wintermantel: Ze bedoelt apocalyps.
Visite: Maar waarom zegt ze dat dan niet?
Wintermantel: Ze heeft een delirium gehad.

Had ik je al verteld over mijn delirium, Fons?
Maar laten we beginnen bij het begin: de heupoperatie.

Vóór zo’n operatie krijg je een infuus. Krijgen is best een ontspannen woord, als je had gezien hoe dat ging. De verpleegkundige van dienst, een heel aardige vrouw, Els heette ze, kon het infuus niet in de aderen op mijn hand krijgen. Twee, drie keer probeerde ze het, ene hand, andere hand. ‘Ach, wat vervelend, dat gebeurt me anders nooit!’ Zelf vond ik het ook behoorlijk vervelend, maar wat je dan zegt, inwendig vloekend, is: ‘Geeft niet hoor, shit happens’. In de arm lukte het ook niet. Uiteindelijk besloot ze een kindernaaldje te nemen en dat lukte goddank wel.

Toen kwam de anaesthesioloog eraan. Die had me, vermoedelijk om verdere afbladdering van mijn verstand te voorkomen, al eerder aangeraden géén roesje te wensen, laat staan een algehele narcose. Wel kwam hij me nu een ruggenprik ‘geven’. Ook al zo’n eufemistiche term. Want tegen die gift had ik echt opgezien. Ten onrechte: ik herinner me nu al niet meer dat ik er ook maar iets van voelde. Misschien komt dat door de belabberde toestand van mijn hersens, maar dan zou ik me toch eigenlijk sowieso niks meer moeten herinneren. Het tegendeel is het geval.

Ik weet bijvoorbeeld nog goed hoe ik op die vrijdag de laatste heup van de dag was en daarmee van de week. Dus de chirurg maakte korte metten. Dat zijn ook de beste metten vaak. Om 15.00 uur de operatiekamer in, om 15.55 er weer uit, dat was tenminste zaken doen. Ik kon alle gesprekken, achter het scherm tussen boven- en onderlijf, goed volgen, want geen roesje, en genoot volop van het gezaag, geklop en geboor aan gene zijde. Na drie kwartier gingen ze sollen met mijn onderlijf. Het werd met grof geweld naar links, naar rechts en weer terug gegooid – waarschijnlijk, bedacht ik goedkeurend, om te kijken of de nieuwe prothese er niet al te makkelijk weer uit schoot. En ze denken vast ook ‘die voelt toch niks’, maar mijn bovenlijf weet heus wel wat mijn onderlijf aan het doen is. Heen en weer zwiepen!

Rond half 6 weer op mijn kamer – het onderlijf nog volledig verlamd – kreeg ik de warme maaltijd geserveerd. Dat bleek toch wat vroeg na de operatie. Rond 7 uur voelde ik dat ik waarschijnlijk dood ging. Er was geen ic in deze kliniek, wel een zojuist aangetreden nachtwacht, gespecialiseerd in het panisch bellen met het UMC in Nijmegen. Maar gelukkig kreeg ik op het randje van de afgrond toch nog vat op de alarmknop. Er kwam iemand aangesneld die riep dat mijn bloeddruk wegviel. Nou is die standaard al vrijwel afwezig, dus wegvallen is een groot woord, maar daar kwam de nachtwacht al opgepiept, er gebeurden dingen met het infuus, aan de bloeddruk viel niks meer te meten en iets in mij besloot dan in vredesnaam iedereen maar onder te kotsen. Halverwege mijn door de lucht vliegende toetje vergezeld van een paar hapjes vis en wat puree, begon ik weer bij zinnen te komen en wees de nachtwacht op de dekschaal van het dienblad, om daarin verder te kotsen, volgens verwachting helemaal tot en met de soep. Dat vond ze een goed idee. Maar in de dekschaal bleek een gat te zitten, voor de duim wellicht, dus de nachtwacht werd opnieuw de dupe. Temeer toen ze geheel zonder ruggenspraak met mij de dekschaal had geruild tegen een klein plastic spuugzakje, terwijl ik dacht dat qua bereik de dekschaal nog steeds meedeed. Dus het meeste kwam buiten het zakje en opnieuw over de nachtwacht. Je begrijpt nu wel beter waarom er zoveel hulptroepen op dat schilderij van Rembrandt staan. Ze zijn soms echt nodig.

Vervolgens wilde ik tot geen enkele prijs verder nog lastig zijn en werd de hele nacht wakker gehouden door een zwaar soort bezemveeggeluid, dat iedere 20 minuten het eventueel wat indommelen adequaat bestreed. Tegen zessen echter hield ik het niet meer en belde nog een keer. Een tamelijk chagrijnige verpleegkundige – ook in knie- en heupklinieken heb je op het intimiderende af chagrijnige zorgverleners – snauwde dat het zware veeggeluid een bekend aircoprobleem was, dat het uit de badkamer kwam, dat je het gewoon uit kon zetten en dat je de badkamerdeur bovendien dicht kon doen. Ik probeerde me iets naar haar toe te draaien op mijn zij, maar dat ging nog niet.

De nacht in de kliniek – je moet er de volgende dag weer uit – mocht ik absoluut geen slaapmiddel gebruiken. Dat had ook weinig zin gehad met die dominante airco, maar de volgende ochtend vroeg ik aan een verpleegkundige of ik thuis wel mijn gebruikelijke slaapmiddel weer mocht gebruiken. ‘Ja hoor’ luidde het antwoord, ‘Dat kan gerust’.

Twaalf dagen ging dit goed. Dat wil zeggen afgezien van de optredende obstipatie, die zes dagen achtereen klysma’s nodig maakte vanwege de betonnen wal die zichzelf steen voor steen voor de achteruitgang had opgeworpen. Van boven kun je veel met koffie doen, ook met vezels en fruit en de haastig aangeschafte lactulosestroop. Maar op de betonnen wal kun je nog zoveel koffie gieten, het helpt geen zier, je dient de wal van de andere kant te benaderen. Het uiteindelijk reutelende resultaat deed onweerstaanbaar denken aan mijn goeie ouwe pc.

In de twaalfde nacht thuis raakte ik in een delirium. Zelf kreeg ik daar niets van mee, maar een ooggetuige kwam vanuit haar kamer over de gang heen op het lawaai afgestommeld. ‘Je stond middenin je kamer, zonder krukken, in het donker,’ aldus het verslag achteraf. ‘Alles wat op je nachtkastjes, het bureau en de stoelen lag, had je op de grond geveegd. De volle waterkan had je omgekeerd boven je bed, desgevraagd omdat de 25 nietjes in je wond dorst hadden gehad. Je kon geen kant meer op en riep: “Hoe kom ik hier ooit weer uit, kan iemand mij zeggen hóe?” Ik dacht: kijk, zo word je dus als je dement bent. “Wat wil je dan eigenlijk”, vroeg ik. Je wou naar de wc. Dus ik gaf je de krukken aan, maakte de weg naar de deur vrij en liet je passeren. Even later kwam je zonder krukken, maar nog steeds slaapwandelend, terug van de wc. Je wou mij helpen het matras om te draaien, natte kant naar beneden, droge lakens erop. Ik heb je zolang tegen de muur gezet. Eenmaal weer in bed gemanoeuvreerd begon je over politiek, maar dat heb ik niet helemaal meer afgeluisterd, sorry.’

Nou, maar dat geeft toch niks, Fons. Ik luister ook niet altijd tot het eind naar haar. Dan hoor ik, al op weg naar mijn keukentje, de wegkwijnende klanken nog wel, met altijd een paar ‘je moet zus en je moet zo’s’ erin, maar begin intussen zelf vast met koffiezetten.

Al googlend kwam ik er de volgende dag achter dat de vanuit de kliniek voorgeschreven en meegegeven pijnbestrijder Naproxen absoluut niet samen met mijn ook door de kliniek genoteerde slaapmiddel gebruikt mag worden. Mensen raken, aldus internet, van die combinatie in coma of sterven zonder omhaal. Om dit soort misverstanden voor andere patiënten te voorkomen, moet je ze wel melden, liefst in de vorm van een algemeen advies zonder man en paard te noemen, dus dat heb ik netjes gedaan, vooral blij dat ik dat überhaupt nog kon.

Over klysma’s gesproken: een alternatief georiënteerde vriendin van mijn filosofische vriend vertelde eens op een verjaardag, waar ook hij aanwezig was, dat zij en haar partner zichzelf tweewekelijks een koffieklysma toedienden, omdat dat zo purerend werkte op de darminhoud. Er volgde een gepaste stilte op deze bekentenis, tot iemand vroeg: ‘Met suiker en melk?’

Ach, had mijn vrouw maar één zo’n been…